Inleiding
Tijdens uw bezoek aan de polikliniek urologie heeft uw uroloog bij u zaadbalkanker (testiscarcinoom) geconstateerd. Met u is besproken dat het noodzakelijk is om via een operatie de aangedane zaadbal (testikel) te verwijderen.
Op deze pagina staat praktische informatie over onderzoek en behandeling in CWZ. Het is niet de bedoeling dat deze pagina de persoonlijke gesprekken met uw uroloog vervangen. U kunt met problemen en vragen, ook naar aanleiding van deze pagina, bij uw (assistent) uroloog of bij de doktersassistenten van de polikliniek urologie terecht. Voor dit onderzoek moeten de aangedane testikel met bijbehorende bijbal en de zaadstreng worden weggenomen. Helaas is het niet mogelijk om een zekere diagnose te stellen door maar een deel van de bal (de tumor zelf) te verwijderen. Het verlies van een zaadbal leidt niet tot vermindering van de geslachtsdrift en evenmin tot impotentie. Ook is er meestal geen nadelige invloed op de vruchtbaarheid.
Voorbereiding operatie
De operatie vindt onder volledige narcose of ruggenprik plaats. Hierover kunt u meer lezen op de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’. Voor de operatie en de anesthesie zijn meestal enige voorbereidingen noodzakelijk, dit wordt ook wel preoperatief onderzoek of preoperatieve voorbereiding genoemd. Daarom gaat u naar het spreekuur van de anesthesioloog en eventueel het verpleegkundig spreekuur urologie. Zo nodig bent u, volgens de afspraken met de anesthesioloog of uroloog, gestopt met (bloedverdunnende) geneesmiddelen. Meer informatie hierover staat op de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.
Opname
U wordt voor deze ingreep één tot twee dagen in het ziekenhuis opgenomen. Op de pagina ‘Opname in CWZ’ kunt u algemene informatie over de opname lezen.
De dag van de operatie
Omdat de operatie onder anesthesie plaatsvindt, is het nodig dat u nuchter bent. Hierover heeft de anesthesioloog op het spreekuur afspraken met u gemaakt. Meer informatie hierover kunt u lezen op de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.
U meldt zich op het afgesproken tijdstip op de afdeling waar u wordt opgenomen afdeling C40 of C52. Op de afdeling krijgt u (als dit nog niet op de polikliniek heeft kunnen plaatsvinden) een opnamegesprek met een verpleegkundige. Hierin worden bijzonderheden met betrekking tot uw gezondheid en uw persoonlijke omstandigheden besproken. Ook informeert de verpleegkundige u over de gang van zaken rond de operatie. Als u dat prettig vindt, kan uw partner/begeleider bij het opnamegesprek aanwezig zijn.
Voorbereiding operatie
Voordat u naar de operatiekamer gaat, krijgt u op de afdeling de voorbereidende medicijnen voor de anesthesie (premedicatie). Het is belangrijk dat u deze medicijnen inneemt. Ook is het belangrijk dat u voor de ingreep nog even plast, zodat de blaas leeg is. Tijdens de operatie draagt u een operatiejasje. U mag tijdens de operatie geen sieraden dragen. Bovengenoemde maatregelen zijn er om de hygiëne op de operatiekamer te waarborgen en daardoor infecties te voorkomen. Voor de ingreep wordt u naar de voorbereidingsruimte van de operatieafdeling gebracht. Hier worden u nog wat vragen gesteld en krijgt u een infuusnaaldje in een bloedvat in uw arm of hand, waarop het infuus wordt aangesloten. U gaat in uw bed naar de operatiekamer en schuift op een smalle operatietafel. De anesthesioloog geeft u de verdoving, die met u besproken is. Ook zal er, voordat de operatie begint, bewakingsapparatuur aangesloten worden om lichaamsfuncties zoals bloeddruk, pols en ademhaling tijdens de operatie te kunnen controleren.
Direct na de operatie
Na de ingreep blijft u in de uitslaapruimer uitslaapruimte (verkoeverkamer)van de operatieafdeling tot u goed wakker bent en alle controles goed zijn. Een verpleegkundige van de verpleegafdeling haalt u weer op. Gedurende uw verblijf controleren de verpleegkundigen regelmatig de pols, bloeddruk en de wond.
Pijn
Na de operatie kunt u pijn hebben en misselijk zijn. Met behulp van een speciale pijnbestrijdingsmethode (zie pijnmeting in de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’) wordt de pijn zoveel mogelijk verlicht, zodat u sneller van de operatie herstelt. Als u misselijk bent, zijn daar ook medicijnen voor.
Eten en drinken
Zodra u zich goed voelt mag u drinken en langzaam weer wat gaan eten. Als dit goed gaat mag het infuus worden afgekoppeld.
Controles
De verpleegkundigen observeren wanneer u de eerste keer plast. Soms is het noodzakelijk om de blaas leeg te maken, met een katheter, als u geen aandrang voelt en de blaas te vol raakt. Dit kan een gevolg zijn van de anesthesie. Het spontane plassen zal kort daarna vanzelf weer op gang komen. Als de operatie normaal verloopt en u voelt zich goed, dan mag u dezelfde avond of de volgende ochtend naar huis. Wij adviseren u om u te laten ophalen. De personen, die u ophalen kunnen zo nodig een rolstoel meenemen bij de ingang van het ziekenhuis.
Nazorg
Soms ontstaat er na de ingreep een bloeduitstorting, overmatig pijn in het wondgebied of een infectie. Een blauwe verkleuring van de wond komt geregeld voor, dit is niet zorgelijk en trekt vanzelf weg. Na de operatie is het raadzaam een strakke onderbroek te dragen die u steun geeft (dus geen boxershort), ook ‘s nachts. Hiermee vermindert u de kans op zwelling. Het verband wat op de wond zit mag u de dag na de operatie verwijderen. U mag dan ook weer douchen. Na veertien dagen is zwemmen, naar de sauna gaan of in bad liggen meestal weer mogelijk. De eerste week na de ingreep is het verstandig rustig aan te doen. Zelf voelt u meestal het beste wat u wel en niet kunt. Vaak is er na de operatie een zwelling rondom de achtergebleven zaadbal, die pas geleidelijk uit zichzelf verdwijnt.
Pijnbestrijding
Een goede pijnbestrijding is belangrijk voor het genezingsproces. Daarom is het raadzaam dat u de eerste twee dagen na de operatie de pijn met pijnstillers onderdrukt en dit vervolgens afbouwt. Dit doet u als volgt.
De eerste 2 dagen neemt u 4 keer per dag - om de 6 uur - 2 tabletten paracetamol van 500 mg.
Dan neemt u 2 dagen 4 keer per dag - om de 6 uur- 1 tablet paracetamol van 500 mg.
Daarna stopt u met het innemen van tabletten. Alleen als dat nodig is, bij pijn, mag u 2 tabletten paracetamol van 500 mg. innemen (maximaal 4 keer per dag).
Contact opnemen
Neemt u tot de eerste poliklinische controle na ontslag uit het ziekenhuis contact op als:
U plotseling hevige of aanhoudende pijn heeft die met de voorgeschreven pijnstillers of met 4 keer per dag - om de 6 uur - 2 tabletten paracetamol van 500 mg niet verdwijnt;
Er sprake is van hevig en aanhoudend bloedverlies uit de wond;
U kort na de operatie koorts heeft boven de 38,5 graden of langer dan 24 uur vanaf 38 graden.
Tijdens kantooruren belt u de polikliniek urologie (024) 365 82 55. Buiten kantooruren belt u met de verpleegafdeling urologie (024) 365 78 00.
Uitslag en aanvullende onderzoeken
Het bij de operatie verwijderde testikel wordt opgestuurd naar de patholoog. Deze onderzoekt het weefsel. De behandelend arts bespreekt de uitslag van het onderzoek met u ongeveer zeven tot tien dagen na de operatie. Een afspraak voor dit gesprek wordt gemaakt bij uw ontslag uit het ziekenhuis. Vraag uw partner en/of de door u gewenste personen bij het gesprek aanwezig te zijn.
Aanvullend onderzoek
Wanneer uit voorgaand onderzoek de diagnose zaadbalkanker wordt gesteld, is onderzoek nodig om te kijken of er uitzaaiingen zijn. De uitslagen van deze onderzoeken bepalen het stadium van de ziekte en de verdere behandeling.
CT-scan
Met behulp van een CT-scan kunnen er gedetailleerde dwarsdoorsnede foto’s worden gemaakt van uw lichaam. Hierbij wordt gebruik gemaakt van röntgenstraling. Bij zaadbalkanker wordt altijd een CT-scan van de buik en de longen gemaakt. Uit deze foto’s kan blijken of er sprake is van uitzaaiingen. Hierover kunt u meer lezen op de pagina ‘CT scan’.
Een CT-scan zal zo snel mogelijk gepland worden.
Nabehandeling
Uw specialist bespreekt met u of verdere behandeling noodzakelijk is.
De verdere behandeling kan bestaan uit:
Bestraling (radiotherapie)
Behandeling met chemotherapie (celdeling remmende medicijnen)
Lymfeklieroperatie
Een combinatie van deze behandelingen is ook mogelijk.
Onvruchtbaarheid
Bij deze vervolgbehandelingen kan onvruchtbaarheid optreden. Soms is dat blijvend.
Bijvoorbeeld kan bij de bestraling van de lymfeklieren in de buik, een zeer lage dosis straling terechtkomen op de nog aanwezige zaadbal. Zaadcellen zijn gevoelig voor straling. Daarom wordt uit voorzorg geadviseerd geen kinderen te verwekken tijdens de bestralingsperiode en het eerste halfjaar daarna. Dat geldt ook tijdens en kort na de behandeling met cytostatica.
Wilt u nog kinderen krijgen dan kunt u dat het beste bespreken met uw specialist. U kunt dan overwegen om vóór de behandeling sperma te laten invriezen. Dit heeft alleen zin als er voldoende spermacellen van goede kwaliteit aanwezig zijn.
Bestraling (radiotherapie)
Bestraling is een plaatselijke behandeling waarbij kankercellen geheel of gedeeltelijk door de straling worden vernietigd. Kankercellen verdragen straling slechter dan gezonde cellen. Door straling beschadigde kankercellen herstellen zich niet of nauwelijks. Gezonde cellen herstellen zich in het algemeen wel. Het te bestralen gebied wordt van buitenaf, door de huid heen, bestraald. Bestraling vindt plaats op de afdeling radiotherapie van het Radboudumc.
Meer informatie over deze behandeling vindt u in de KWF-folders ‘Zaadbalkanker’ en ‘Radiotherapie’.
Chemotherapie
De behandeling vindt plaats met celdeling-remmende medicijnen: cytostatica. Er zijn verschillende soorten cytostatica, elk met een eigen invloed op de celdeling. Bij de behandeling van zaadbalkanker worden deze medicijnen toegediend via een ader in de arm. Via het bloed verspreiden zij zich door het lichaam en kunnen op vrijwel alle plaatsen in het lichaam kankercellen bereiken. Voor de chemotherapie wordt u verwezen naar de afdeling oncologie (B09) in CWZ. Meer informatie over deze behandeling vindt u in de KWF-folders ‘Zaadbalkanker’ en ‘Chemotherapie’.
Lymfeklieroperatie
Bij patiënten die een chemokuur hebben ondergaan, wordt na de laatste kuur een CT-scan ter controle gemaakt. Als er afwijkingen te zien zijn, is een operatie noodzakelijk om te zien of de chemokuur alle kankercellen heeft vernietigd. Tijdens deze operatie worden vergrote lymfeklieren achter de buikholte verwijderd en wordt nagegaan of hierin nog kankercellen aanwezig zijn.
Controleonderzoeken
Gedurende de behandeling
Tijdens de behandeling wordt gecontroleerd of de toegepaste behandeling resultaat heeft. Dit gebeurt door middel van bloedonderzoek (tumormerkstoffen) en CT-scan onderzoek.
Na de behandeling
Na afloop van de behandeling wordt een aantal jaar gecontroleerd of de ziekte is teruggekeerd. Afhankelijk van het tumorstadium zal dat vijf jaar of langer duren. Bij patiënten die twee jaar ziektevrij zijn geweest, komt het zelden voor dat de ziekte terugkeert.
In de eerste periode na de behandeling wordt u vaak gecontroleerd. Later zijn zulke controleonderzoeken steeds minder vaak nodig. Tijdens deze controlemomenten wordt er lichamelijk onderzoek verricht en de uitslag van de tumormerkstoffen besproken, en de uitslagen van longfoto’s of CT-scan bekeken.
Verloop van de ziekte
De geneeskansen bij zaadbalkanker hangen af van het type zaadbalkanker en van het stadium waarin de ziekte wordt ontdekt. In het algemeen is de kans dat een patiënt met zaadbalkanker geneest tegenwoordig erg groot. Dat geldt ook als er bij het begin van de behandeling uitzaaiingen zijn.
Werkhervatting
Vraagt u zich af of uw aandoening of behandeling consequenties heeft voor het uitoefenen van uw werk? Overleg dan met uw specialist. Zo wordt duidelijk of u (tijdelijk) beperkingen heeft en zo ja, welke. De bedrijfsarts begeleidt de terugkeer naar uw werk. Daarom is het belangrijk dat uw bedrijfsarts op de hoogte is van uw aandoening of behandeling. Afspraken over uw werk zullen vaak soepeler verlopen als u de bedrijfsarts al vóór de ingreep informeert. U kunt een gesprek voeren met uw bedrijfsarts op het arbeidsomstandigheden-spreekuur van de arbodienst van het bedrijf of de organisatie waar u werkt. Om uw privacy te beschermen is uw toestemming nodig voor eventueel overleg tussen uw specialist en uw bedrijfsarts.
Vragen en begeleiding
Wat u als individuele patiënt voor de toekomst mag verwachten, kunt u het beste met uw behandelend specialist bespreken. De periode van onderzoek en behandeling is een moeilijke periode. Het kan enige tijd duren voordat alle voor u noodzakelijke onderzoeken zijn verricht en er duidelijkheid bestaat over de uitgebreidheid van de ziekte. Waarschijnlijk hebt u vragen over het beloop van de ziekte die nog niet kunnen worden beantwoord. Onder deze omstandigheden kan veel spanning en onzekerheid bestaan, zowel bij u als uw naasten.
Vanuit de omgeving kunt u soms onbegrip ervaren. Als er niets aan u te zien is, verwacht men dat u weer gewoon mee kunt doen. U kunt echter last hebben van gevolgen die niet direct zichtbaar zijn. Hierover praten met uw naasten, uw oncologieverpleegkundige, uw huisarts, een andere hulpverlener of een lotgenoot kan u steunen. De manier van omgaan met gevoelens van verdriet en onzekerheid is voor iedereen verschillend. Als u vragen heeft van een meer algemene aard dan kunt u onder meer ook terecht bij het Voorlichtingscentrum van de Nederlandse Kankerbestrijding (www.kwf.nlhttp://www.kwf.nl).
Bericht van verhindering
Bent u voor een afspraak verhinderd, bel dan zo snel mogelijk de polikliniek urologie. Er kan dan nog een andere patiënt in uw plaats komen.
G538-GLaatst bijgewerkt op 6 februari 2026

