Inleiding
Tijdens uw bezoek aan de polikliniek urologie heeft u van uw behandeld uroloog, arts-assistent of verpleegkundig specialist gehoord dat u een of meerdere blaasstenen heeft en dat deze operatief verwijderd moet(en) worden.
Op deze pagina kunt u thuis alles nog eens rustig doorlezen. We hebben geprobeerd voor u alle belangrijke informatie zo goed mogelijk op een rijtje te zetten. Het verloop van de opname kan verschillen. Uw situatie wordt steeds individueel bekeken.
Het is niet de bedoeling dat deze pagina de persoonlijke gesprekken met uw (assistent) uroloog vervangt. Met problemen of vragen, ook na het lezen van deze pagina, kunt u altijd bij hem/haar terecht of een afspraak maken bij een van de verpleegkundigen.
Verwijderen van een blaassteen
%2520%257B%2520%255Bnative%2520code%255D%2520%257D&w=1080&q=100)
1. Via de plasbuis (cystolithotrypsie)
Als de steen niet al te groot is, kan deze verwijderd worden via de plasbuis. De uroloog (assistent) brengt via de plasbuis een camera (scoop) in uw blaas. Via deze scoop probeert de uroloog de blaassteen te verguizen. Deze techniek wordt cystolithotrypsie genoemd. De operatie duurt ongeveer 30 minuten. Voor deze ingreep wordt u één dag en één nacht opgenomen. Soms is het bij mannen nodig om tijdens deze operatie ook de prostaat te verkleinen. Zo wordt de kans op vorming van nieuwe blaasstenen verminderd. Het verkleinen van de prostaat gebeurt via de plasbuis. Lees hier meer over in de pagina 'Behandeling van een vergrote prostaat, TURP'.
%2520%257B%2520%255Bnative%2520code%255D%2520%257D&w=1080&q=100)
2. Via een snede in de buik (sectio alta)
Als de steen te groot is om via de plasbuis te verwijderen, wordt de steen verwijderd via een snede in de onderbuik, gevolgd door een snede in de blaas. Deze techniek wordt sectio alta genoemd. De operatie duurt ongeveer 45 minuten. Voor deze ingreep wordt u een aantal dagen opgenomen.
Uw behandelend arts bespreekt met u voor welke ingreep u in aanmerking komt.
Voorbereiding operatie
De operatie vindt plaats onder volledige narcose (algehele anesthesie) en/of een ruggenprik (regionale anesthesie). Hierover kunt u meer lezen op de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’. Voor de operatie en de anesthesie zijn meestal enige voorbereidingen noodzakelijk, dit wordt ook wel ‘preoperatieve voorbereiding’ genoemd. Hiervoor bezoekt u het spreekuur van de anesthesioloog en heeft u aansluitend een afspraak voor een verpleegkundig intakegesprek. De verpleegkundige geeft u aanvullende informatie over de opname en operatie. Zij doet het opnamegesprek en plant in overleg met u de operatiedatum en de controle-afspraak na de operatie. Voor de ingreep cystolithotrypsie wordt u één dag en één nacht opgenomen. Voor de ingreep sectio alta wordt u enkele dagen opgenomen. Dat is mede afhankelijk van het directe herstel van de operatie. Op de pagina ‘Opname in CWZ’ kunt u algemene informatie over de opname lezen.
Meldt aan uw behandelend arts (assistent) of verpleegkundig specialist als u bloed verdunnende medicijnen gebruikt of onder controle bent van de trombosedienst.
In overleg met uw arts stopt u eventueel voor de ingreep met bloed verdunnende medicijnen.
Uw behandelend arts vertelt u hoe lang u van tevoren met het innemen moet stoppen en wanneer u weer kunt beginnen met de medicijnen.
Als u bekend bent bij de trombosedienst, neem uw doseerkaart altijd mee naar het ziekenhuis.
Wat neemt u mee voor de operatie?
Actueel medicijnenoverzicht. Deze kunt u opvragen bij uw apotheek.
Een geldig legitimatiebewijs.
Nachtkleding, ondergoed en toiletartikelen.
Neem geen waardevolle bezittingen mee zoals sieraden en waardevolle papieren. Het ziekenhuis draagt geen verantwoordelijkheid voor vermissing of diefstal van uw persoonlijke bezittingen.
Opname op de EOA
U wordt opgenomen op de EOA (Electieve Opname Afdeling).
Als u op de dag van de operatie wordt opgenomen, blijft u nuchter volgens de afspraken met de anesthesioloog en de verpleegkundige en bent u eventueel gestopt met (bloed verdunnende) medicijnen. Zie voor informatie de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’. U meldt zich op het afgesproken tijdstip bij meldpunt 2C
U start met antibiotica om de kans op een infectie te verkleinen.
Operatie
De ingreep vindt plaats in de operatiekamer. Daar schuift u over op de operatietafel.
Voordat de anesthesioloog u de narcosemiddelen via het infuus toedient of u de ruggenprik geeft, wordt eerst de bewakingsapparatuur aangesloten.
Vooraf aan de operatie wordt door het hele operatieteam het ’Time out’ moment genomen. Dit is moment waarop het hele operatieteam stil staat bij uw operatie. Onder andere uw naam, geboortedatum, welke operatie, welke vorm van verdoving en de operatiebenodigdheden worden gecontroleerd. Er worden u vragen gesteld die u misschien al eerder beantwoord heeft, bijvoorbeeld: wie bent u, wat is uw geboortedatum, welke operatie krijgt u en aan welk lichaamsdeel u wordt geopereerd. Dit wordt gedaan om uw veiligheid te waarborgen.
Na het toedienen van de verdoving start de uroloog met de operatie.
De ingreep duurt ongeveer 30 tot 45 minuten.
Kort na de operatie
Voordat u terug naar de afdeling gaat, blijft u nog enige tijd op de uitslaapkamer (verkoeverkamer). Als u goed wakker bent (na narcose) of het gevoel in de benen terug begint te komen (na ruggenprik), gaat u naar verpleegafdeling C40. Daar controleert de verpleegkundige regelmatig uw bloeddruk, hartritme en urineproductie.
Pijn
Na de operatie krijgt u volgens een vast protocol pijnstillers. Het kan zijn dat u toch pijn blijft houden. U kunt dit aangeven bij de verpleegkundige. Zie hiervoor ook de ‘Pijnmeting’ in de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.
Blaaskatheter
Direct na de operatie heeft u een katheter in de blaas. Dit is een slangetje via de plasbuis dat ervoor zorgt dat de urine uit de blaas kan lopen. U hoeft dan niet zelf te plassen. De katheter kan de blaaswand irriteren en dat kan u het gevoel geven dat u moet plassen en/of pijnklachten geven aan de top van de penis (eikel). Dit wordt ‘blaaskramp’ genoemd. Als u deze klacht ervaart, moet u dit met uw verpleegkundige bespreken. Zij kan u hier medicijnen voor geven.
Blaaskramp
Blaaskramp (pijnlijk onderbuikgevoel met drang tot plassen) kan ook ontstaan als de urine niet of niet goed kan weglopen via de katheter. De blaas raakt dan te vol. Dit kan ontstaan doordat er een bloedstolsel in de katheter zit waardoor deze verstopt raakt. Door de katheter en de blaas te spoelen wordt de katheter weer doorgankelijk. Dit doet de verpleegkundige.
Urine
Na de operatie kan er wat bloed bij de urine zitten. Dit is onschuldig en neemt langzaam af.
Infuus
U heeft een infuus in uw hand of arm. Omdat u tijdens en vaak ook na de operatie nog bloed verliest, is het belangrijk om dit vochtverlies aan te vullen door middel van het infuus.
Eten en drinken
U mag kort na de operatie weer beginnen met eten en drinken.
De eerste dag na de operatie
In het geval van de cystolithotrypsie wordt meestal de eerste dag na de operatie de katheter verwijderd als de kleur van de urine helder is. In het geval van de sectio alta heeft u de katheter ongeveer 3 tot 5 dagen. Als de kleur van de urine helder is, mag de katheter verwijderd worden. Na het verwijderen van de katheter kan het plassen gevoelig zijn en zult u ook wat vaker moeten plassen. Ook kan er nog wat bloed met de urine meekomen. Dit kan tot in de eerste dagen na de operatie nog voorkomen. U hoeft zich hier geen zorgen over te maken. Het is aan te raden goed te drinken (minstens 2 liter per dag). Door voldoende te drinken spoelt u de blaas op een natuurlijke manier. U kunt met ontslag als het plassen weer goed op gang is gekomen.
Controle
Er is voor u een controleafspraak gemaakt bij de (assistent) uroloog, 6 weken na uw operatie.
Als u nog een katheter heeft als u naar huis gaat, verwijderen we die later op de polikliniek urologie.
Bijwerkingen
De eerste tijd na de operatie kunt u last hebben van de volgende bijwerkingen:
vaak het gevoel hebben dat u moet plassen.
moeite hebben om de urine op te houden.
Deze bijwerkingen verdwijnen over het algemeen na een paar dagen.
De volgende bijwerkingen kunnen 1 tot 2 weken aanhouden:
een branderig gevoel bij het plassen, met name aan het begin of het einde.
soms kan er nog wat bloed in uw urine zitten.
Dit zijn normale verschijnselen waar u zich geen zorgen over hoeft te maken.
Mogelijke complicaties
Bij elke ingreep, hoe klein ook, kunnen er problemen optreden. Deze complicaties kunnen bestaan uit een infectie of een nabloeding. Wanneer de steen via de plasbuis (cystolithotrypsie) wordt verwijderd kan er een gaatje (perforatie) ontstaan in de blaas. Dan moet de katheter langer in blijven na de operatie.
Leefregels
Wanneer de stenen via de plasbuis (cystolithotrypsie) zijn verwijderd, zijn er geen specifieke leefregels. U kunt zelf het beste bepalen hoe u zich voelt en daar uw activiteiten op afstemmen.
Als uw stenen via de open buikoperatie (sectio alta) zijn verwijderd, adviseren wij:
drink elke dag minimaal 1 tot 2 liter vocht (geen alcohol).
2 weken niet in bad, douchen mag wel.
2 weken niet fietsen.
4 tot 6 weken niet sporten en geen zware fysieke arbeid verrichten.
autorijden mag wel.
Eerder contact opnemen dan de controleafspraak
Neemt u tot de eerste poliklinische controle na ontslag uit het ziekenhuis contact op bij:
hevige pijnklachten die niet verdwijnen met gebruik van de voorgeschreven pijnstillers of met 4 keer per dag - om de 6 uur - 2 tabletten paracetamol van 500 mg.
hevig bloedverlies en het plassen van grote bloedstolsels.
plotseling niet meer kunnen plassen.
koorts boven de 38,5 graden of langer dan 24 uur vanaf 38 graden.
Tijdens kantooruren belt u de polikliniek urologie, telefoonnummer (024) 365 82 55. Buiten kantooruren belt u met de verpleegafdeling urologie, telefoonnummer (024) 365 78 00.
Vragen
Uw behandelend uroloog bespreekt met u de verdere gang van zaken na de operatie. Als u nog vragen heeft over de operatie en de gevolgen ervan dan kunt u deze samen met uw partner/directe naaste bespreken met uw behandelend arts of uw verpleegkundige.
Bericht van verhindering
Bent u op het afgesproken tijdstip voor poliklinisch onderzoek of opname verhinderd? Bel dan zo snel mogelijk de polikliniek urologie. Er kan dan nog een andere patiënt in uw plaats komen. Met u maken wij een nieuwe afspraak.
Extra informatie
Wat is een blaassteen?
Blaasstenen zijn verkalkingen die ontstaan uit stoffen die in de urine zitten. Het zijn afvalproducten die in de urine kristalliseren. De meeste blaasstenen ontstaan doordat er te veel zouten in de urine aanwezig zijn. De grootte van een blaassteen kan variëren van enkele millimeters tot wel enkele centimeters. Mannen hebben vaker blaasstenen dan vrouwen. Blaasstenen komen ook vaker voor bij mensen die ouder zijn dan 45 jaar.
Oorzaken waardoor blaasstenen kunnen ontstaan
Te geconcentreerde urine waardoor de afvalstoffen samenklonteren.
Verplaatste nierstenen: vaak ontstaan de 'steentjes' al in de nier als nierstenen en gaan ze met de natuurlijke stroming mee richting de blaas. Als ze daar niet meteen vanzelf worden uit geplast met de urine, kunnen ze groeien.
Achterblijvende urine: als de urine vanuit de blaas niet goed geloosd kan worden en er steeds een beetje achterblijft, kan dit blaasstenen veroorzaken.
Ontstekingen: terugkerende blaasontstekingen kunnen samenhangen met het bestaan van blaasstenen.
G870Laatst bijgewerkt op 11 februari 2026

