Inleiding
Uw behandelend arts heeft u met u besproken dat een verwijdering van de milt wenselijk/noodzakelijk is. Deze pagina geeft u informatie over wat de chirurg in CWZ met u bespreekt, zodat u zich kunt voorbereiden op het gesprek of na het gesprek alles nog eens rustig kan nalezen. Ook zijn de gebruikelijke behandelingsmogelijkheden voor u op een rij gezet. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
%2520%257B%2520%255Bnative%2520code%255D%2520%257D&w=1080&q=100)
De milt ligt in de linker bovenbuik. Bij de gezonde volwassene weegt de milt tussen de 75 en 100 gram. De milt is het sterkst doorbloedde orgaan in het lichaam en heel kwetsbaar. De onderste ribben bieden de milt bescherming. De milt is betrokken bij bloedaanmaak en bloedafbraak. Tevens werkt de milt als een soort filter in het afweersysteem.
Waarom de milt verwijderen?
Er zijn verschillende redenen waarom het nodig is om de milt te verwijderen. Voor vragen verwijzen wij u naar uw behandelend arts (meestal een internist).
Algemene ziekten van het bloed
Wanneer door afwijkende vorm of kenmerken van de rode bloedcellen een verhoogde bloedafbraak plaats vindt, ontstaat bloedarmoede (anemie). Voorbeelden zijn: sferocytose, thalassemie, sikkelcelziekte. Ook kan verhoogde afbraak van bloedplaatjes optreden. Bloedplaatjes spelen een rol bij de stolling van het bloed. Te weinig bloedplaatjes (trombocytopenie) kunnen het beeld geven van vele puntbloedingen (purpura). De oorzaak is vaak niet bekend (idiopathisch). Dit ziektebeeld wordt dan ook ITP (idiopathische trombocytopenie) genoemd.
Algemene ziekten van het lymfesysteem
Verwijderen van de milt (splenectomie) kan hierbij nodig zijn om het stadium van de ziekte te beoordelen of ter bepaling van het soort medicijn dat gebruikt moet worden voor de behandeling. Voorbeelden zijn: ziekte van Hodgkin, lymfosarcoom, chronische leukemie.
Ongevallen
Bijvoorbeeld door:
scherpe (penetrerende) letsels zoals messteek, schotwond, gebroken ribben.
stompe letsels zoals verkeersletsels, vallen op de zij, op het fietsstuur, etc.
Soms zal verwijderen van de milt nodig zijn bij een scheur, maar vaak is het mogelijk om de bloeding tot staan te brengen, bijvoorbeeld door de milt in te pakken in een netje van oplosbaar materiaal of door een propje via de bloedvaten te schieten (coilen).
Vergrote milt met versnelde bloedafbraak tot gevolg (hypersplenisme)
De oorzaak hiervoor kan onbekend zijn (primair) of het gevolg zijn van andere aandoeningen, bijvoorbeeld van de lever of enkele zeldzame ziekten.
Bijmilt
De milt is in principe een solitair orgaan, maar in 15 tot 30 % van de mensen kan er sprake zijn van een of meerdere bijmiltjes. Deze komen vooral voor bij mensen met bloedziekten en juist bij hen is het bij een miltverwijdering (splenectomie) nodig om al het miltweefsel te verwijderen, dus ook de bijmiltjes. Als de splenectomie plaats vindt in het kader van een ongeval, dan is het juist prettig om de bijmiltjes en dus de miltfunctie, te kunnen behouden.
Cysten en tumoren
Deze zijn beide vrij zeldzaam.
Diagnose en onderzoeken
Naast bloedonderzoek wordt meestal een echografie gedaan. Dit is een veilig en pijnloos onderzoek waarbij gebruik gemaakt wordt van hoogfrequente geluidsgolven (zie ook de pagina ‘Echografie’). Verder kan gebruik gemaakt worden van een CT-scan, een röntgenonderzoek waarbij diverse dwarsdoorsnedes van het lichaam kunnen worden gemaakt (zie ook de pagina ‘CT-scan’).
Operatie
De operatie wordt bij voorkeur met een kijkoperatie verricht. Als dit niet mogelijk is of als er complicaties optreden tijdens de operatie, wordt een grote snee gemaakt. Een splenectomie duurt meestal zo’n anderhalf uur. De anesthesist geeft u informatie over de anesthesie.
De laparoscopische splenectomie
Bij de kijkoperatie maakt de arts gebruik van een videocamera en speciale instrumenten om de milt te verwijderen zonder een grote snee in de buik te maken. In plaats daarvan maakt hij enkele kleine sneetjes. Zie ook de pagina ‘kijkoperaties in de buik/laparoscopie’.
Een laparoscoop is een lange rechte buis waarop een kleine videocamera is gemonteerd en een lichtbron. Voordat de laparoscoop in de buikholte wordt gebracht wordt de buikholte opgevuld met kooldioxyde, een onschuldig gas dat aan het eind van de ingreep weer uit de buik verdwijnt. Dit is nodig om een goed overzicht te verkrijgen. Dit gas kan het middenrif enigszins prikkelen. Via een zenuwbaan die in de richting van de schouder loopt, kan dit ertoe leiden dat u na de operatie gedurende enkele dagen een gevoelige schouder heeft. Dit verdwijnt vanzelf en u hoeft zich daar geen zorgen over te maken.
Via een snede van circa 2 cm bij de navel wordt de laparoscoop in de buikholte gebracht. Met de laparoscoop kan de arts in de buik kijken via een videomonitor. Nu worden de andere sneden in de buikwand gemaakt. Ieder van deze sneden wordt gebruikt om een speciaal instrument in de buikholte te brengen, om de milt te pakken, te bewegen, los te maken uit zijn omgeving en te verwijderen. Voor het verwijderen van de milt wordt één van de kleine sneden iets groter gemaakt. Na het verwijderen van de milt wordt soms een wonddrain achtergelaten.
Het kan voorkomen dat de arts tijdens de operatie vaststelt dat het niet (veilig) mogelijk is de milt laparoscopisch te verwijderen. Dan is het nodig om op de conventionele manier de milt te verwijderen. Omdat de arts de milt niet kan zien voordat de laparoscoop is ingebracht, zijn sommige situaties niet te voorspellen en kunnen alleen maar worden ontdekt als de operatie al is begonnen. Daarom moet u altijd rekening houden met de kans dat er een conventionele (gewone) splenectomie moet worden uitgevoerd, terwijl er een laparoscopische operatie was afgesproken.
De conventionele (gewone) splenectomie
Bij deze operatie maakt de arts een snede van tien tot vijftien cm lang, midden in de bovenbuik of aan de linkerkant onder de ribbenboog om langs die weg de milt te kunnen verwijderen.
Mogelijke complicaties
Geen enkele operatie is zonder risico’s. Zo is ook bij deze operatie de normale kans op complicaties aanwezig die bij een operatie altijd bestaan, zoals nabloeding, wondinfectie, trombose of longontsteking.
Een specifieke complicatie bij deze operatie is een te hoog aantal bloedplaatjes na de operatie doordat deze te weinig worden afgebroken. Als het aantal zo hoog wordt dat er gevaar is voor trombose wordt er een medicijn gegeven (ascal). Dit gebeurt gelukkig zelden en is meestal tijdelijk.
Verder is er een verhoogde infectiekans voor bepaalde bacteriesoorten. Hiervoor wordt in principe voor de splenectomie een vaccinatie gegeven. Als de splenectomie acuut plaatsvindt, wordt de vaccinatie later gegeven. Daarnaast zult u na de operatie gedurende 2 jaar dagelijks antibiotica krijgen (Broxyl).
Het kan zijn dat u na de laparoscopische operatie een branderig gevoel heeft bij het plassen. Dat komt door de blaaskatheter, die soms aan het begin van de operatie wordt ingebracht. Het verdwijnt vanzelf.
Voorbereiding voor de operatie
Spreekuur anesthesioloog
De operatie vindt onder volledige narcose plaats. Hierover kunt u meer lezen op de CWZ-pagina ‘Anesthesie’. Voor de geplande operatie en de anesthesie zijn enige voorbereidingen noodzakelijk, dit wordt ook wel preoperatief onderzoek of preoperatieve voorbereiding genoemd. Daarom gaat u naar het spreekuur van de anesthesioloog.
De anesthesioloog schat in welke risico’s in uw geval aan de operatie en de anesthesie verbonden zijn en hoe deze kunnen worden beperkt. De anesthesioloog spreekt ook overige voorbereidingen met u af zoals medicijngebruik (bloedverdunners) en nuchter zijn voor de operatie.
Verpleegkundig spreekuur
U heeft zonodig ook een gesprek met de intake-verpleegkundige van de afdeling heelkunde. Zij bespreekt met u: bespreekt met u:
De gang van zaken voor en tijdens de opname en de vermoedelijke opnameduur.
De vragen die u nog heeft over de behandeling, de voorbereiding en de nazorg.
Opname
Nuchtere opname
Als u op de dag van de operatie wordt opgenomen blijft u nuchter volgens de afspraken met de anesthesioloog en bent u eventueel gestopt met (bloedverdunnende) geneesmiddelen. Zie voor informatie de pagina ‘Anesthesie’.
U meldt zich op het afgesproken tijdstip bij Meldpunt 2C.
Opname dag vóór de operatie
Als er meer voorbereidingen voor de operatie nodig zijn of als u zelf deze voorkeur heeft aangegeven wordt u de dag vóór de operatie opgenomen. U bent eventueel gestopt met bloedverdunnende medicijnen.
U meldt zich op de afgesproken tijd bij Meldpunt 2C of de afdeling.
Tot twee uur vóór de operatie drinkt u twee pakjes speciale heldere drank (preOp). Meer hierover staat op de pagina ‘Gebruik van preOp voor de operatie’.
Voor de operatie krijgt u de voorbereidende medicijnen voor de anesthesie (premedicatie).
Wanneer u een kunstgebit en/ of contactlenzen draagt moet u deze uitdoen. Ook mag u tijdens de operatie geen sieraden dragen.
Tijdens de operatie draagt u een operatiehemd, geen ondergoed.
Een verpleegkundige rijdt u met uw bed naar de voorbereidingsruimte van de operatieafdeling. Daar krijgt u een infuus.
U gaat daarna naar de operatiekamer en schuift over op de operatietafel.
Voordat de anesthesioloog u de narcosemiddelen via het infuus toedient, wordt eerst de bewakingsapparatuur aangesloten.
Na de operatie
Na de operatie ontwaakt u op de verkoever- of uitslaapkamer. Als u goed wakker bent, gaat u in principe terug naar de verpleegafdeling. Daar controleert de verpleegkundige regelmatig de bloeddruk, het hartritme, de wond en de urineproductie.
Na de operatie mag u weer normaal eten.
Korte tijd na de conventionele operatie is het vaak raadzaam het wondgebied - met name bij drukverhoging (hoesten, persen) - wat te ondersteunen met uw hand.
Pijnbestrijding
Na de operatie krijgt u volgens een vast protocol pijnstillers. Het kan zijn dat u toch pijn blijft houden. U kunt dit aangeven bij de verpleegkundige. Zie hiervoor ook “pijnmeting” op de pagina ‘Anesthesie”. De Physician Assistant of de zaalarts kunnen u dan eventueel andere pijnstillers geven.
Beweging
Bewegen is niet alleen belangrijk om trombose te voorkomen, maar ook om verlies van spierkracht tegen te gaan. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat wanneer u rechtop zit, de ademhaling beter is en dat u beter kunt ophoesten. Luchtweginfecties komen daardoor minder voor en de zuurstofvoorziening naar de wond is beter, wat gunstig is voor de genezing.
Na de operatie wordt zo snel mogelijk gestart met de mobilisatie. De dag van de operatie moet u proberen eventjes rechtop in bed en even op de rand van het bed of in een stoel te zitten. De eerste paar keer dat u uit bed gaat, krijgt u begeleiding van een verpleegkundige.
Ontslag uit het ziekenhuis
Na een miltverwijdering kunt u over het algemeen binnen 1 dag weer naar huis toe.
Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor de poliklinische controle bij de chirurg en/of de internist. Zo nodig wordt de pneumococcenvaccinatie gegeven. De hechtingen zijn oplosbaar.
Adviezen voor thuis
Afhankelijk van de operatiemethode, de grootte van de ingreep en persoonlijke factoren zult u na ontslag uit het ziekenhuis nog enige tijd hinder kunnen ondervinden van het operatiegebied. Ook het hervatten van uw dagelijkse activiteiten zullen daarvan afhankelijk zijn.
Risico
Als de milt is verwijderd, heeft u een verhoogd risico op levensbedreigende infecties. De meeste infecties treden op in de eerste twee jaar na het verwijderen van de milt, maar ook daarna blijft er een verhoogde kans op infecties bestaan. De levensbedreigende infecties worden veroorzaakt door bacteriën, pneumococcen, de Haemophilus influenzae en meningococcen. Bovendien kunnen in zeldzame gevallen ernstige infecties optreden nadien. U loopt bij bezoek aan het buitenland ook extra risico op malaria of babesiose.
Vaccinatie
Een jaarlijkse vaccinatie tegen griep (het influenzavirus) wordt aanbevolen.
Aangezien u niet voldoende antistoffen maakt tegen gekapselde bacteriën is het van belang dat u gevaccineerd wordt zodat u antistoffen krijgt. U dient de volgende vaccinaties te krijgen:
Vaccin tegen pneumococcen. Welke vaccin gekozen wordt hangt af van uw leeftijd. Of het vaccin na vijf jaar herhaald moet worden hangt af van uw leeftijd. Of het vaccin na vijf jaar herhaald moet worden hangt ook van het vaccin af.
Act-Hib tegen Haemophilus influenzae type B.
Neisvac-C of Mencevax A,C,W,Y tegen meningococcen.
Deze vaccinaties verminderen de kans op een ernstige infectie maar het risico blijft bestaan.
Pijnbestrijding
Een goede pijnbestrijding is belangrijk voor het genezingsproces. Daarom is het raadzaam dat u zonodig de pijn met pijnstillers onderdrukt en dit langzaam afbouwt. De Psysician Assistent of de zaalarts kan eventueel aanvullende pijnstilling voorschrijven. Zorg ervoor dat u paracetamol in huis hebt na ontslag.
Dit doet u als volgt;
De eerste 2 dagen 4 keer per dag - om de 6 uur - 2 tabletten paracetamol van 500 mg.
Dan 2 dagen 4 keer per dag - om de 6 uur - 1 tablet paracetamol van 500 mg.
Daarna stopt u en gebruikt alleen zonodig bij pijn 2 tabletten paracetamol van 500 mg. (maximaal 4 keer per dag).
Wondverzorging
24 uur nadat eventuele drains verwijderd zijn moet u de pleister van de wond verwijderen en weer douchen. De wond is dan voldoende dicht. Als het gaasje vastzit aan de wond kunt u het onder de douche losweken. Na het douchen de wond droogdeppen. U mag de eerste week niet zwemmen of langdurig baden. Droog houden van de wond bevordert een goede wondgenezing.
Wanneer contact opnemen?
Neemt u de eerste week na de operatie contact op met het ziekenhuis bij:
Hevige pijnklachten die niet verdwijnen als u pijnstillers gebruikt.
Infectie: wond is gezwollen, rood en warm, gaat open en/of er komt wondvocht uit.
Temperatuur hoger dan 38,5 graden kort na de operatie.
Tijdens kantooruren belt u de polikliniek chirurgie-heelkunde: (024) 365 82 60. Buiten kantooruren belt u CWZ (024) 365 76 57 en vraagt naar de dienstdoende chirurg.
Werkhervatting
Meestal kunt u een tot drie weken na het ontslag weer - eventueel aangepast - met werken beginnen. Vraagt u zich af of uw aandoening of behandeling consequenties heeft voor het uitoefenen van uw werk? Overleg dan met uw bedrijfsarts. De bedrijfsarts begeleidt de terugkeer naar uw werk. Afspraken over uw werk zullen vaak soepeler verlopen als u de bedrijfsarts al vóór de ingreep informeert of zo spoedig mogelijk na de ingreep op de hoogte brengt. U kunt een gesprek voeren met uw bedrijfsarts op het arbeidsomstandigheden-spreekuur van de arbodienst van het bedrijf of de organisatie waar u werkt.
Tips bij de hervatting van diverse activiteiten?
Gouden regel is dat u geleidelijk aan weer van alles mag gaan doen en uitproberen, zolang dit geen aanhoudende toename van klachten geeft. Wissel de eerste dagen rust en activiteit steeds af, waarbij u geleidelijk aan steeds actiever wordt en minder hoeft te rusten. In het algemeen kunt u twee tot zes weken na de operatie alle activiteiten weer doen die u voor de operatie ook kon.
Wandelen
Lopen is goed om uw conditie weer wat te verbeteren en u mag dit doen naar kunnen. Wissel de eerste dagen lopen en rusten goed af. En onthoud: (spier)pijn mag, mits dit na een nachtrust weer verminderd is.
Tillen
Beperk, na een conventionele operatie, de eerste zes weken zowel vaak als zwaar tillen. Bouw dit langzaam op. Na twee weken kunt u normale (lichte) huishoudelijke activiteiten meestal weer gewoon doen.
Fietsen
Zodra u zich probleemloos kunt bewegen, mag u het fietsen, mits u dat tevoren ook deed, weer gaan uitproberen.
Autorijden
Als u zich probleemloos kunt bewegen, kunt u ook weer gaan autorijden.
Sporten
Als u gewend was om te sporten kunt u dat meestal na 1 tot 2 weken weer langzaam oppakken. Wanneer de dagelijkse dingen en wandelen weer probleemloos gaan, kunt u, als u dat gewend was, na twee weken weer rustig beginnen met sporten, zwemmen of joggen. Begin met ontspannen bewegen en bouw dit uit naar het niveau van voor de operatie.
Seks
Vrijen hoeft geen probleem te zijn mits u hierbij de gouden regel in acht neemt. Dus dat u geleidelijk aan weer van alles mag gaan doen en uitproberen, zolang dit geen aanhoudende toename van klachten geeft.
Vragen?
Heeft u nog vragen? Stel ze gerust aan uw behandelend arts of de verpleegkundige. Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot polikliniek chirurgie-heelkunde.
Verhindering
Bent u op de dag van de behandeling onverhoopt verhinderd, laat dit dan zo snel mogelijk weten. U belt dan naar de afdeling opname- en patiëntenplanning, tijdens kantooruren bereikbaar op telefoonnummer (024) 365 71 30.
Kunt u niet komen voor een afspraak op de polikliniek of voor een onderzoek? Bel dan zo snel mogelijk de betreffende afdeling.
Contact
- Chirurgie
G789Laatst bijgewerkt op 22 januari 2026

