Speekselklieroperatie

Behandeling

Verwijderen van (een deel van) de glandula parotis

Inleiding

Uw behandelend arts heeft voorgesteld om vanwege problemen aan uw speekselklier(en) een operatie door de chirurg te laten verrichten. Deze pagina geeft u informatie over wat de chirurg in CWZ met u bespreekt, zodat u zich kunt voorbereiden op het gesprek of na het gesprek alles nog eens rustig kan nalezen.

Speekselklieraandoeningen

Behalve zeer veel kleine speekselklieren in de mond heeft iedereen 4 grotere speekselklieren buiten de mond. Het grootste deel van het speeksel wordt door deze 4 grotere speekselklieren gemaakt. Onder beide kaakranden ligt een glandula (klier) submandibularis (onder de kaak). De andere 2 speekselklieren liggen aan beide kanten voor de oren (glandula parotis). Deze laatste speekselklieren bestaan uit 2 delen: een oppervlakkig deel en een diep gelegen deel.

Tussen deze 2 delen in loopt een belangrijke zenuw, de aangezichtszenuw (nervus facialis). Deze zenuw zorgt er onder andere voor dat u uw lippen en ogen kunt sluiten en dat u kunt lachen. Via een dun buisje wordt het speeksel uit de grotere klieren naar de mond gevoerd. Tijdens het eten maakt het speeksel het voedsel nat en worden de enzymen (stoffen die nodig zijn voor de spijsvertering) uit het speeksel door het voedsel gemengd. Dit is de eerste stap in het spijsverteringsproces.

G493-Q speekselklieren met tekst

In de speekselklieren kunnen ontstekingen of gezwellen ontstaan. In de afvoerbuizen naar de mond kunnen steentjes ontstaan die de afvoer van speeksel belemmeren en ontstekingen kunnen veroorzaken. De afvoerbuizen van de oorspeekselklieren komen uit in het wangslijmvlies. De afvoerbuizen van de onderkaakspeekselklieren komen uit in het slijmvlies van de mondbodem, onder de tong.

Verschijnselen van speekselklieraandoeningen

Als een speekselsteentje een van de afvoerbuisjes afsluit, kan het speeksel niet meer naar de mond wegvloeien. U kunt dan veel pijn hebben. Deze pijn ontstaat als u iets eet of drinkt, met name bij stoffen die de productie van speeksel sterk stimuleren, zoals zure snoepjes en zure drank. Als de afvoer van het speeksel een probleem blijft, ontstaan in de loop van dagen/weken ook ontstekingsverschijnselen. U hebt dan constant pijn. Soms kan pus (etter) uit het afvoerbuisje in uw mond komen. U proeft dan een vieze smaak in uw mond.

Wanneer u te weinig drinkt kunt u ook last van ontstekingen krijgen. De speekselklieren worden dan te weinig geprikkeld om speeksel af te geven. De beide speekselklieren voor uw oren kunnen opzwellen, bijvoorbeeld bij de bof.

Er kan ook een gezwel in één van de speekselklieren ontstaan. U voelt dan een bobbel in een van de klieren onder uw onderkaak of voor of vlak onder uw oren. Als er een afwijking is van de speekselklier kan uw oorlelletje iets naar buiten gaan staan. Over het algemeen geeft dit geen pijn. Het gaat meestal om een goedaardig gezwel, kwaadaardige gezwellen van de speekselklieren zijn vrij zeldzaam.

Onderzoek

Om een speekselklieraandoening vast te stellen, zal uw arts u lichamelijk onderzoeken. Hij of zij zal het betreffende gebied goed bekijken en bevoelen. Een steentje in een afvoerbuisje voelt de arts vaak aan de binnenkant van de wang of in de mondbodem onder de tong.

Soms zijn daarnaast enkele specialistische onderzoeken nodig. Bij een echografisch onderzoek zijn de speekselklieren op een monitor zichtbaar. Dit onderzoek gebeurt met geluidsgolven en doet geen pijn. Met een echo kan uw arts vaststellen of er speekselsteentjes zijn en waar deze zich bevinden. Ook een eventueel gezwel is zichtbaar op de echo.

Bij een punctie haalt de arts met een holle naald wat cellen uit het weefsel. Meestal kan hiermee worden vastgesteld wat voor ontsteking of gezwel u heeft. De uitslag van dit onderzoek is meestal na een week bekend.

Als de arts twijfelt aan de diagnose kan verder onderzoek worden gedaan zoals een CT-scan of MRI. Voor deze onderzoeken zijn CWZ pagina’s beschikbaar.

Medische behandeling van speekselklieraandoeningen

Soms kunnen steentjes in de afvoerbuisjes en ontstekingen in de speekselklieren uitgedreven worden. U moet dan op zuurtjes zuigen of uw mond met citroenzuur spoelen. De speekselklieren worden daardoor extra gestimuleerd en produceren meer speeksel. Soms is een antibioticakuur noodzakelijk.

Een operatie is nodig als deze behandelingen onvoldoende resultaat hebben of als uw arts een gezwel vaststelt.

Operatie

Zit er een goedaardig gezwel in een van de speekselklieren in uw onderkaak (glandula submandimularis), dan haalt uw chirurg de hele klier met het afvoerbuisje operatief weg. Dit gebeurt via een kleine snee (5 centimeter) langs de onderrand van uw kaak.

De grotere speekselklieren (glandula parotis) voor uw oren bestaan uit 2 delen: een oppervlakkig deel en een dieper gelegen deel. Bij een goedaardig gezwel of een steeds terugkomende ontsteking haalt de chirurg alleen het oppervlakkige deel van deze klier weg. Het oppervlakkige deel van de klier wordt vrijgemaakt van alle takjes van de aangezichtszenuw en een deel van de klier wordt verwijderd. Vaak wordt een drain (slangetje) in de wond achtergelaten, zodat zich geen bloed onder de huid kan ophopen.

De snee loopt bij deze operatie voor het oor recht naar beneden, buigt onder het oorlelletje af naar achteren en loopt dan onder de kaakrand nog vijf centimeter door.

Wanneer er een steentje vast zit in een van de afvoerbuisjes kan soms de uitgang van het afvoerbuisje operatief worden vergroot waardoor het steentje eruit kan komen.

Mogelijke complicaties

Bij iedere operatieve ingreep bestaat een kans op complicaties. U kunt na een operatie van een speekselklieraandoening last krijgen van een nabloeding of een wondinfectie. Dit zijn de ‘normale’ risico’s van een operatie.

Daarnaast zijn er nog enkele specifieke complicaties mogelijk, zoals:

Beschadiging van een gevoelszenuw van de onderkaak.
Vlak langs de onderkaakspeeksel-klier loopt een gevoelszenuwtak. Bij de operatie aan deze speekselklier bestaat het risico op beschadiging van die zenuw. In een enkel geval is het gevoel van de huid na de operatie - meestal tijdelijk - wat verminderd.

In veel gevallen vermindert - soms tijdelijk - het gevoel in het oorlelletje.

Beschadiging van de aangezichtszenuw
Bij de operatie aan de glandula parotis bestaat het risico op beschadiging van één of meer van de takken van de aangezichtszenuw. Over het algemeen ontstaat dan een tijdelijke (meestal gedeeltelijke) uitval van de functie van één of meer aangezichtsspieren. Het kan zijn dat het ooglid niet meer goed sluit of dat de mondhoek hangt. Het gaat gelukkig bijna altijd om een tijdelijke uitval. De kans dat een zenuwtak wordt doorgesneden is erg klein.

Syndroom van Frey
Dit syndroom komt nog wel eens voor, meestal enige tijd na de operatie. Tijdens of na het eten treedt er transpiratie op in het gebied voor het oor. Het is soms een hinderlijk verschijnsel, maar het kan geen kwaad. Ter behandeling hiervan worden er ter plaatse injecties gegeven.

Terugkeer van het gezwel (recidief)
De goedaardige gezwellen die het meeste voorkomen zijn het pleiomorf adenoom (menggezwel) en de Warthin tumor. De Warthin tumor komt vooral voor bij mensen die roken en van dit goedaardig gezwel is bekend dat deze neigt tot terugkeer (recidief).

Voorbereiding voor de operatie

Spreekuur anesthesioloog
De operatie vindt onder volledige narcose plaats. Hierover kunt u meer lezen op de CWZ-pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen.

Voor de operatie en de anesthesie zijn enige voorbereidingen noodzakelijk, dit wordt ook wel preoperatief onderzoek of preoperatieve voorbereiding genoemd. Daarom gaat u naar het spreekuur van de anesthesioloog.

De anesthesioloog schat in welke risico’s in uw geval aan de operatie en de anesthesie verbonden zijn en hoe deze kunnen worden beperkt. De anesthesioloog spreekt ook overige voorbereidingen met u af zoals medicijngebruik (bloedverdunners) en nuchter zijn voor de operatie. U bezoekt ook het verpleegkundig spreekuur heelkunde.

Opname

  • U bent eventueel, in overleg met de anesthesioloog, gestopt met (bloedverdunnende) geneesmiddelen. Zie voor informatie de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.

  • Als u op de opnamedag wordt geopereerd, blijft u nuchter.

  • U meldt zich op het afgesproken tijdstip op Meldpunt 2C.

  • Voor de operatie krijgt u de voorbereidende medicijnen voor de anesthesie (premedicatie).

  • Plas voor de ingreep zodat de blaas leeg is.

  • Wanneer u een kunstgebit en/of contactlenzen draagt moet u deze uitdoen.

  • Draag geen sieraden tijdens de operatie.

  • Tijdens de operatie draagt u een operatiehemd.

  • Een verpleegkundige of medewerker van de vervoersdienst rijdt u met uw bed naar de voorbereidingsruimte van de operatieafdeling.

  • Daar krijgt u een infuus.

  • U gaat daarna naar de operatiekamer en schuift over op de operatietafel.

  • Voordat de anesthesioloog u de narcosemiddelen via het infuus toedient, wordt eerst de bewakingsapparatuur aangesloten en een laatste time-out (checken van uw gegevens) gedaan.

Na de operatie

Na de operatie ontwaakt u op de verkoever- of uitslaapkamer.

Direct na de ingreep kunt u pijn in de kaak hebben en soms moeite met slikken. De pijn kan uitstralen naar het oor. Na de operatie krijgt u volgens een vast protocol pijnstillers. Zie hiervoor ook “pijnmeting” op de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.

Als er een draintje (slangetje) is ingebracht wordt dit op de dag zelf of de dag na de operatie uit de wond gehaald.

U mag op eigen gelegenheid naar huis maar u mag niet zelf de auto besturen. U krijgt een afspraak voor een controlebezoek op de polikliniek.

Meestal wordt gebruik gemaakt van oplosbare hechtingen, die niet verwijdert hoeven te worden. Als hechtingen moeten worden verwijderd kan dit op de polikliniek of door de huisarts gedaan worden.

Uw huisarts krijgt automatisch bericht van de uitgevoerde operatie.

Adviezen voor thuis

U kunt na de operatie nog enige tijd last hebben van het operatiegebied.

Pijnbestrijding
Een goede pijnbestrijding is belangrijk voor het genezingsproces. Daarom is het raadzaam dat u de eerste 2 dagen de pijn met pijnstillers onderdrukt en dit langzaam afbouwt.

Dit doet u als volgt:

  • Dag 1 en 2: neem 4 keer per dag, 2 tabletten (om de 6 uur) paracetamol van 500 mg.

  • Dag 3 en 4: neem 4 keer per dag, 1 tablet (om de 6 uur) paracetamol van 500 mg.

  • Daarna stopt u met de pijnmedicatie en gebruikt u alleen bij pijn 2 tabletten paracetamol van 500 mg. (maximaal 4 keer per dag).

Wondverzorging
Na 24 uur mag u de pleister van de wond verwijderen en weer douchen. De wond is dan voldoende dicht.

Als het gaasje vastzit aan de wond kunt u het onder de douche losweken. Na het douchen de wond droogdeppen.

U mag de eerste week niet zwemmen of langdurig baden.

Droog houden van de wond bevordert een goede wondgenezing. Dus kunt u beter ook geen afsluitende pleister op de wond gebruiken, deze maken de wond vochtig.

Wanneer contact opnemen?
Neemt u de eerste week na de operatie contact op met het ziekenhuis bij:

  • Hevige pijnklachten die niet verdwijnen als u pijnstillers gebruikt.

  • Infectie:

    • wond is gezwollen, rood en warm, gaat open en/of er komt wondvocht uit.

    • temperatuur hoger dan 38,5 graden kort na de operatie.

Tijdens kantooruren belt u de polikliniek heelkunde 024 365 82 60.

Buiten kantooruren belt u CWZ 024 365 76 57 en vraagt naar de dienstdoende chirurg.

Werkhervatting
Meestal zult u na een week uw werk weer kunnen hervatten.

Zware lichamelijke arbeid (tillen) bouwt u langzaam op. Vraagt u zich af of uw aandoening of behandeling consequenties heeft voor het uitoefenen van uw werk? Overleg dan met uw bedrijfsarts.

Tips bij de hervatting van diverse activiteiten?
Gouden regel is dat u geleidelijk aan weer van alles mag gaan doen en uitproberen, zolang dit geen aanhoudende toename van klachten geeft.

Wissel de eerste dagen rust en activiteit steeds af, waarbij u geleidelijk aan steeds actiever wordt en minder hoeft te rusten. In het algemeen kunt u een week na de operatie alle activiteiten weer doen die u voor de operatie ook kon.

  • Wandelen
    Lopen is goed om uw conditie weer wat te verbeteren en u mag dit doen naar kunnen. Wissel de eerste dagen lopen en rusten goed af.

  • Fietsen
    Zodra u zich probleemloos kunt bewegen en vooral uw hoofd en hals goed kunt draaien, mag u het fietsen, mits u dat tevoren ook deed, weer gaan uitproberen.

  • Autorijden
    Als u zich probleemloos kunt bewegen en vooral uw hoofd en hals goed kunt draaien, kunt u ook weer gaan autorijden.

    Begin met kleine stukjes in een rustige omgeving. Meestal zult u na een week weer kunnen autorijden.

  • Sporten
    Als u gewend was om te sporten kunt u dat meestal na een week weer langzaam oppakken. Wanneer de dagelijkse dingen en wandelen weer probleemloos gaan kunt u, als u dat gewend was, weer rustig beginnen met joggen. Voer de afstand en het tempo geleidelijk op naar kunnen, waarbij u goed let op de reacties van uw lijf. Zorg steeds dat u volledig hersteld bent voordat u wéér gaat joggen.

Als u gewend was om te zwemmen of te fitnessen en u hebt het gevoel dit weer te kunnen, probeer het dan rustig uit.

Begin met ontspannen bewegen en bouw dit uit naar het niveau van voor de operatie.

Seks
Vrijen hoeft geen probleem te zijn mits u hierbij de gouden regel in acht neemt. Dus dat u geleidelijk aan weer van alles mag gaan doen en uitproberen, zolang dit geen aanhoudende toename van klachten geeft.

Vragen

Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of de verpleegkundige.

Bij dringende vragen of problemen vóór en na uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot het verpleegkundig spreekuur. Zie onderaan de pagina.

Verhindering

Bent u op de afgesproken dag van de behandeling onverhoopt verhinderd, laat dit dan zo snel mogelijk weten. U belt dan naar de afdeling opname- en patiëntenplanning, tijdens kantooruren bereikbaar op telefoonnummer 024 365 71 30. Er kan dan nog een andere patiënt in uw plaats worden gepland en met u maken wij een nieuwe afspraak. Kunt u een afspraak op de polikliniek of voor een onderzoek niet nakomen, bel dan ook zo spoedig mogelijk de betreffende afdeling.

G493-QLaatst bijgewerkt op 12 januari 2026

Inhoudsopgave