Speekselklieraandoeningen

Behandeling

Inleiding

Uw behandelend arts heeft voorgesteld om vanwege problemen aan uw speekselklier(en) een onderzoek en/of behandeling door de KNO-arts uit te laten voeren. Deze pagina geeft u informatie over wat de KNO-arts in CWZ met u bespreekt. Zo kunt u zich voorbereiden op het gesprek of na het gesprek alles nog eens rustig kan nalezen.

Speekselklieraandoeningen

Behalve zeer veel kleine speekselkliertjes in de mondholte heeft iedereen zes grotere speekselklieren buiten de mond (drie aan allebei de kanten van het hoofd). Het grootste deel van het speeksel wordt door deze zes grotere speekselklieren gemaakt. Onder beide kaakranden ligt een onderkaakspeekselklier (glandulasubmandibularis); onder de tong ligt aan beide zijden een onder-de-tong speekselklier (glandula sublingualis). De oorspeekselklier (glandula parotis) ligt aan beide kanten voor en net onder de oren. Deze laatste speekselklier bestaat uit twee delen (kwabben): een oppervlakkig deel en een diep deel.

Tussen deze twee delen in loopt een belangrijke zenuw, de aangezichtszenuw (nervus facialis). Deze zenuw zorgt er onder andere voor dat u uw lippen en ogen kunt sluiten en dat u met uw gezicht kunt lachen. Via een dun buisje wordt het speeksel uit de grotere klieren naar de mond gevoerd. Tijdens het eten maakt het speeksel het voedsel vochtig en worden enzymen (stoffen die nodig zijn voor de spijsvertering) uit het speeksel door het voedsel gemengd. Dit is de eerste stap in het spijsverteringsproces.

In de speekselklieren kunnen steentjes, ontstekingen of gezwellen ontstaan. In de afvoerbuizen naar de mond kunnen steentjes de afvoer van speeksel belemmeren en ontstekingen veroorzaken. De afvoerbuizen van de oorspeekselklieren komen uit in het wangslijmvlies. De afvoerbuizen van de onderkaakspeekselklieren en onder-de-tong speekselklieren komen uit in het slijmvlies van de mondbodem, onder de tong.

Verschijnselen van speekselklieraandoeningen

Als een speekselsteentje een van de afvoerbuisjes afsluit kan het speeksel niet meer naar de mond wegvloeien. De speekselklier zwelt op waardoor u dan veel pijn kunt hebben. Deze pijn ontstaat als u iets eet of drinkt, met name stoffen die de productie van speeksel sterk stimuleren, zoals zure snoepjes en zure drank. Als de afvoer van het speeksel een probleem blijft, ontstaan in de loop van dagen/weken ook ontstekingsverschijnselen. U hebt dan constant pijn. Soms kan pus(etter) uit het afvoerbuisje in uw mond komen. U proeft dan een vieze smaak in uw mond.

Wanneer u rookt of te weinig drinkt kunt u ook last van ontstekingen krijgen. De speekselklieren worden dan te weinig geprikkeld om speeksel af te geven. Ook beide speekselklieren voor uw oren kunnen opzwellen, bijvoorbeeld bij de bof. Soms kan er een gezwel in een van de speekselklieren ontstaan. U voelt dan een bobbel in een van de speekselklieren. Over het algemeen geeft dit geen pijn. Het gaat meestal om een goedaardig gezwel, kwaadaardige gezwellen van de speekselklieren zijn vrij zeldzaam.

Onderzoek

Om een speekselklieraandoening vast te stellen, zal uw arts u onderzoeken. Hij zal dit gebied goed bekijken en bevoelen. Een steentje in een afvoerbuisje voelt de arts vaak aan de binnenkant van de wang of in de mondbodem onder de tong. Soms zijn er nog een paar specialistische onderzoeken nodig.

Bij een echografisch onderzoek zijn de speekselklieren op een monitor goed te zien. Dit onderzoek gebeurt met geluidsgolven en doet geen pijn. Met een echo kan uw arts bepalen of er speekselsteentjes zijn en waar deze zich bevinden. Ook een mogelijk gezwel is te zien op de echo. Dit onderzoek wordt meestal door een radioloog uitgevoerd.

Bij een punctie haalt de arts met een holle naald wat cellen uit het weefsel (cytologische punctie). Meestal kan hij hiermee bepalen wat voor ontsteking of gezwel u heeft. De uitslag van dit onderzoek is meestal na één week bekend. Als de arts twijfelt aan de diagnose kan verder onderzoek worden gedaan, bijvoorbeeld een MRI-scan. Voor dit onderzoek is een CWZ-pagina beschikbaar.

Medische behandeling van speekselklieraandoeningen

Speekselklierstenen en/of-ontstekingen
Soms kunnen speekselsteentjes in de afvoerbuisjes en ontstekingen in de speekselklieren uitgedreven worden. U moet dan op zuurtjes zuigen of uw mond met citroenzuur/-sap spoelen. De speekselklieren worden daardoor extra gestimuleerd en maken meer speeksel. Soms is een antibioticakuur nodig. Een operatie is nodig als deze behandelingen onvoldoende resultaat hebben of als uw arts een gezwel vaststelt.

Bij een speekselsteentje kan het soms genoeg zijn om het steentje te verwijderen uit de afvoergang van de betreffende speekselklier. Deze ingreep vindt vaak plaats onder lokale verdoving (vergelijkbaar met verdoving bij de tandarts). Als het steentje niet op deze manier verwijderd kan worden, bestaat er nog een techniek waarbij het steentje met hele kleine camera’s (endoscopen) en instrumenten verwijderd kan worden. In CWZ hebben wij deze apparaten nog niet. Als deze behandeling nodig is, verwijst de KNO-arts u door.

Bij terugkerende ontstekingen (of blijvende problemen door speekselsteenvorming) van een van de speekselklieren kan besloten worden een uitgebreidere operatie uit te voeren. Deze operatie bestaat uit het verwijderen van de aangedane speekselklier. Hierover leest verderop op deze pagina meer.

Gezwellen in een speekselklier
Nadat onderzoek is uitgevoerd (echo van de speekselklieren, meestal samen met een punctie om cellen te onderzoeken en eventueel een aanvullende scan) gaat het in de meeste gevallen om een goedaardig gezwel, gelegen in een van de grotere speekselklieren. Soms wordt besloten om het gezwel eerst met rust te laten en er later iets aan te doen. De wensen en leeftijd van de patiënt, de aard van het gezwel en de bestaande klachten zijn van invloed op de beslissing om het gezwel wel of niet te verwijderen. Meestal zal uw KNO-arts u adviseren het gezwel te laten verwijderen.

Operatie aan de oorspeekselklier (glandula parotis)

Zie hiervoor de CWZ-pagina: Operatie aan de oorspeekselklier (Glandula Parotis).

Operatie aan de onderkaakspeekselklier (glandula submandibularis)

  • Deze ingreep vindt plaats onder algehele verdoving (narcose).

  • De KNO-arts maakt een snede van ongeveer 2 tot 3 centimeter onder de onderrand van uw onderkaak. De snede is ongeveer 5 cm lang en wordt (zo mogelijk) in de huidplooi gelegd.

  • Vervolgens wordt de speekselklier in zijn geheel uitgenomen. Hierbij worden verschillende zenuwtakken in acht genomen: een takje van de aangezichtszenuw (nervus facialis): verantwoordelijk voor bewegen van de mondhoek, een tongzenuw (nervus lingualis): zorgt voor (een deel van) het gevoel van de tong, een tongzenuw (nervus hypoglossus): zorgt voor (een deel van) de beweeglijkheid van de tong. De kans op schade aan een van deze zenuwen is heel klein.

  • De afvoergang(-buis) voor het speeksel vanuit de klier naar de mondholte wordt op het einde van de ingreep ook doorgenomen zodat de speekselklier uitgenomen kan worden. U zult dus wat minder speeksel in de mond krijgen (15 tot 20%). Hier merkt u later over het algemeen niets van.

  • Meestal wordt een drain geplaatst om te voorkomen dat de wond zich vult met oud bloed en wondvocht. Meestal mag de drain na ongeveer 2 dagen worden verwijderd. U kunt over het algemeen met de drain naar huis toe zodat de operatie in dagbehandeling kan plaatsvinden. Er wordt dan een vervolgafspraak met u gemaakt om de drain poliklinisch te verwijderen.

  • Na de operatie moet u het rustig aan doen. U kunt een aantal weken niet bukken, tillen en sporten. Uw KNO-arts zal u op korte termijn terugzien en afhankelijk van uw herstel verder advies geven met betrekking tot inspanning.

  • De verwijderde speekselklier wordt altijd opgestuurd voor weefselonderzoek. U krijgt de uitslag van dit onderzoek in principe binnen maximaal 2 weken.

Operatie aan de onder-de-tong-speekselklier (glandula sublingualis)

  • Deze ingreep vindt soms plaats onder lokale verdoving en soms onder algehele verdoving (narcose).

  • Aandoeningen van deze speekselklier zijn zeldzaam. Vaak gaat het om een ‘speekselcyste’, een ‘kikkergezwel’ uitgaande van deze speekselklier.

  • In eerste instantie wordt dit gezwel vaak poliklinisch behandeld, onder lokale verdoving (vergelijkbaar met verdoving bij de tandarts). In iets meer dan 50% van de gevallen is een vervolgoperatie onder algehele verdoving (narcose) niet nodig.

  • Als de cyste terugkomt, volgt een tweede operatie onder algehele verdoving (narcose), als u dat wilt. Hierbij wordt in het voorste deel van de mondbodem (onder de tong) een snede gemaakt en wordt de speekselklier uitgenomen. Ook het deel waar de speekselcyste vanuit gaat wordt uitgenomen.

  • De tongzenuw die zorgt voor het gevoel in (een deel van) de tong (nervus lingualis) loopt vlak naast deze speekselklier en kan geprikkeld worden tijdens de operatie. De kans op blijvende schade aan deze zenuw is klein, maar kan wel voorkomen.

  • Ook na deze operatie moet u een periode rustig aan doen en moet u met uw voeding rekening houden met de wond in uw mond.

  • De hechtingen die in de mond gebruikt worden zijn oplosbaar. U zult ze wel, zolang ze aanwezig zijn (maximaal enkele weken), voelen.

Voorbereiding operatie in CWZ

Een goede verdoving bij een operatie is belangrijk, dus ook bij een operatie aan de speekselklieren. Deze operatie vindt in narcose plaats. U zult geen pijn voelen tijdens de operatie.

  • Gebruikt u bloedverdunnende medicijnen of bent u onder controle van de trombosedienst? Meld dit dan aan uw behandelend arts in CWZ. Denk bij bloedverdunnende medicijnen aan bij voorbeeld acenocoumarol of fenprocoumon en/of aspirine.

  • Als u bekend bent bij de trombosedienst, neem uw doseerkaart altijd mee naar het ziekenhuis.

  • Het kan zijn dat u tijdelijk moet stoppen met deze bloedverdunnende medicijnen. Uw behandelend arts vertelt u hoe lang u voor de ingreep of operatie met het innemen moet te stoppen en wanneer u weer kunt beginnen met de medicijnen.

  • Als u medicijnen gebruikt of overgevoelig bent voor bijvoorbeeld jodium, verdovingsvloeistof, pleisters of andere stoffen zeg dit dan tegen de arts, de verpleegkundige of de assistent van de polikliniek.

  • Meld ook als u een pacemaker (of een ICD) draagt.

  • Meld ook of u preventief antibiotica nodig heeft.

Spreekuur anesthesioloog

De anesthesioloog schat in welke risico’s in uw geval aan de operatie en de anesthesie verbonden zijn en hoe deze kunnen worden beperkt. U krijgt een telefonische of fysieke afspraak bij de anesthesist.

U wordt voor een operatie aan de speekselklier één (dagbehandeling) tot drie dagen in het ziekenhuis opgenomen; de opnameduur wordt in overleg met uw arts bepaald. Het secretariaat KNO regelt de opname- en operatieplanning. Op de polikliniek krijgt u onder voorbehoud de datum waarop de operatie gepland is. Deze wordt ongeveer een week van tevoren schriftelijk bevestigd door het secretariaat KNO. Heeft u nog geen operatie-datum gekregen dan neemt het secretariaat KNO nog contact met u op.

De dag van de operatie

  • Volgens de afspraken met de anesthesioloog op het anesthesiespreekuur blijft u nuchter en bent u eventueel gestopt met het innemen van (bloedverdunnende) geneesmiddelen.

  • U meldt zich op het afgesproken tijdstip bij Meldpunt 2C (Behandelcentrum dagkliniek).

  • Na een opnamegesprek met de verpleegkundige krijgt u de voorbereidende medicatie voor de anesthesie (premedicatie).

  • Het is belangrijk dat u voor de operatie nog even plast, zodat de blaas leeg is.

  • Wanneer u een kunstgebit en/of contactlenzen draagt moet u deze uitdoen. Ook mag u tijdens de operatie geen sieraden, make-up en nagellak dragen.

  • Tijdens de operatie draagt u een operatiehemd dat u al vast aantrekt.

  • Een verpleegkundige rijdt u met uw bed naar de voorbereidingsruimte van de operatieafdeling. Dan krijgt u een infuus.

  • U gaat naar de operatiekamer en schuift over op de operatietafel.

  • Voordat de anesthesioloog u de narcosemiddelen via het infuus geeft, wordt eerst de bewakingsapparatuur aangesloten en volgt nog een laatste controle in aanwezigheid van het hele operatieteam.

  • Na toediening van een snelwerkend slaapmiddel bent u binnen een halve minuut in een diepe slaap.

Na de operatie

  • Na de operatie onder narcose blijft u in de uitslaapruimte (verkoeverkamer) van de operatieafdeling tot u goed wakker bent.

  • Daarna haalt een verpleegkundige van de verpleegafdeling u weer op.

  • Direct na de operatie kunt u pijn in en rondom de kaak hebben. De pijn kan uitstralen naar het oor. Vraag de verpleging op tijd om een pijnstillend middel. D e verpleegkundige verwijdert het infuus. In overleg met uw arts wordt de drain verwijderd; deze moet minimaal 24 uur blijven zitten.

  • U mag op eigen gelegenheid naar huis, maar u mag niet zelf de auto besturen. Soms moet u één of meerdere nachten blijven, dit wordt dan van tevoren door uw KNO-arts met u besproken.

  • U krijgt een afspraak voor een controlebezoek op de polikliniek ongeveer een week na de operatie. Dan worden ook de hechtingen verwijderd.

Adviezen voor thuis

Afhankelijk van de soort operatie en uw persoonlijke situatie, kunt u na de operatie nog enige tijd last hebben van het operatiegebied. Er volgen nog een paar adviezen:

  • Na het douchen de wond droogdeppen. U mag de eerste week niet baden en zwemmen. Droog houden van de wond bevordert een goede wondgenezing, dus kunt u beter ook geen afsluitende pleister op de wondjes gebruiken.

  • Wanneer u pijn heeft, kunt u dit het beste bestrijden met paracetamol (500 mg). U mag 4 keer per dag 2 tabletten innemen. Wanneer de pijn minder wordt kunt u dit langzaam weer afbouwen. Dit doet u als volgt:

    • Dag 1 en 2: neem 4 keer per dag, 2 tabletten (om de 6 uur) paracetamol van 500 mg.

    • Dag 3 en 4 : neem 4 keer per dag, 1 tablet (om de 6 uur) paracetamol van 500 mg.

    • Daarna stopt u met de pijnmedicatie en gebruikt u alleen bij pijn 2 tabletten paracetamol van 500 mg (maximaal 4 keer per dag).

  • Houdt u zich verder een week rustig. In principe zult u na een week hersteld zijn en kunt u weer beginnen met uw activiteiten; zware fysieke arbeid kunt u na enkele weken weer hervatten.

Wanneer een arts waarschuwen?

Het is belangrijk dat u in de volgende gevallen contact opneemt met uw behandelend arts of huisarts:

  • Als de wond steeds dikker wordt en rood wordt en de pijn erger wordt.

  • Als u koorts heeft hoger dan 38,5 graden Celsius. Geef aan de huisarts altijd door dat u geopereerd bent en hoe lang dit geleden is.

Vragen

Als u na het lezen van de informatie nog vragen heeft, schrijf deze dan op of vraag iemand met u mee te gaan. De KNO-arts beantwoordt graag uw vragen over uw klachten en de behandeling daarvan. De anesthesioloog zal de vragen over de anesthesie beantwoorden. Voor vragen over de operatie, de opname en de nazorg kunt u bij de verpleegkundige terecht.

Bericht van verhindering

Bent u op het afgesproken tijdstip verhinderd? Meld dit zo snel mogelijk bij het secretariaat KNO, telefoonnummer 024 365 87 11. Er kan dan nog een andere patiënt in uw plaats gepland worden. U kunt het secretariaat ook mailen: secretariaat.kno@cwz.nl

Contact

G907Laatst bijgewerkt op 4 februari 2026

Inhoudsopgave