Inleiding
Uw behandelend arts heeft u voor een schildklieroperatie naar de polikliniek chirurgie-heelkunde van CWZ verwezen. Deze pagina geeft u informatie over wat de chirurg in CWZ met u bespreekt, zodat u zich kunt voorbereiden op het gesprek of na het gesprek alles nog eens rustig kan doorlezen. Ook zijn de gebruikelijke behandelingsmogelijkheden voor u op een rij gezet.
Hoe werkt de schildklier?
De schildklier is een kleine klier. Het zit aan de voorkant van uw hals - vlakbij de adamsappel. Als u uw vinger op het kuiltje in uw hals legt en slikt, voelt u de schildklier bewegen.
De schildklier heeft de vorm van een vlinder. Hij bestaat uit twee kwabben (zoals de vleugels van de vlinder). Ze zijn met elkaar verbonden door een middenstuk, dat isthmus heet.
De schildklier regelt onder andere de lichaamstemperatuur. De klier bepaalt ook of u een snelle of een langzame stofwisseling heeft. Als er iets mis is met de schildklier kunt u dikker worden of afvallen.
De schildklier maakt twee hormonen: T3 (tri-joodthyronine) en T4 (thyroxine). Om deze hormonen te maken heeft de schildklier jodium nodig. Jodium zit bijvoorbeeld in brood, zout, vis en melk. De schildklier maakt iedere dag precies genoeg hormonen. Hoeveel dat is regelen twee orgaantjes in uw hersenen: de hypofyse en de hypothalamus.
Uw bloed brengt de hormonen naar de plaatsen in uw lichaam waar ze nodig zijn.
Is er iets mis met de schildklier, dan maakt deze te veel of te weinig hormonen. Van te veel hormonen wordt iemand vaak dunner en hyperactief. Van te weinig hormonen wordt iemand meestal juist zwaarder en slomer.
Wat is een struma?
Een struma is een opgezwollen schildklier. Het heet ook wel een “krop”.
Jodiumtekort kan een oorzaak zijn, of bijwerkingen van een medicijn. Maar heel vaak is de oorzaak onbekend of komt het in de familie voor. Meestal blijft de schildklier gewoon hormonen aanmaken. Soms heeft het struma wel invloed: de schildklier gaat te snel (hyperthyreoïdie) of te langzaam (hypothyreoïdie) werken.
Bij een struma kunnen een of meer knobbels in de schildklier zitten. Zo’n knobbel is vaak een bolletje (cyste) gevuld met vocht. Het kan ook een goedaardig gezwel zijn. In zeldzame gevallen kan het ook een kwaadaardig gezwel zijn.
Onderstaande klachten kunnen betekenen dat er iets niet goed is met uw schildklier:
U heeft een zwelling onderin uw hals.
U wordt zonder logische reden lichter of zwaarder.
U heeft heel weinig energie of bent juist hyperactief.
U heeft het vaak zonder reden heel warm of koud.
Onderzoek
Uw arts kan verschillende onderzoeken doen om te zien of uw schildklier goed werkt.
Het bloed kan worden getest op schildklierhormonen. Als daar te veel of juist te weinig van in uw bloed zit, werkt uw schildklier te snel of te langzaam.
Uw arts zal voelen of er zwellingen in uw schildklier zitten. Als die er zijn, krijgt u een punctie. Dit gebeurt meestal echogeleid. Met een dunne naald zuigt de arts wat cellen uit de zwelling. Dit duurt kort en het doet meestal geen pijn. Het opgezogen weefsel wordt microscopisch onderzocht om vast te stellen of het om een goedaardige of kwaadaardige verandering gaat. Een kwaadaardige verandering komt gelukkig niet zo vaak voor. Eventueel kan ook een ontsteking worden opgespoord, maar ook dat komt niet zo vaak voor.
Tegenwoordig is echografie een veelgebruikt onderzoek. Via geluidsgolven wordt de anatomie van de schildklier en de omgeving afgetast. Zo kan de grootte worden bepaald en ook al of niet aanwezig zijn van afwijkingen. Als er zwellingen worden gevonden kan er een echogeleide punctie worden gedaan.
Bij schildklierscintigrafie krijgt u een klein beetje radioactief materiaal ingespoten. Daarna wordt een foto gemaakt van de schildklier. Zie de CWZ-pagina Schildklierscintigrafie.
Behandeling van een struma
Behandeling van een struma is niet nodig als uw schildklier nog gewoon hormonen maakt en het struma niet in de weg zit bij het slikken. Soms geeft een struma wel problemen. Bij volwassenen met een groot struma kan soms als medicijn radioactief jodium worden gegeven. Dit maakt het struma kleiner. Het kan één of twee jaar duren voor deze behandeling begint te werken.
Als er sprake is van een eenvoudige cyste kan een injectie met alcohol helpen om deze weg te halen of kan met een speciale naald de knobbel van binnen worden verbrand (RFA).
Een operatie aan de schildklier (strumectomie) is pas nodig wanneer andere behandelingen niet helpen. Bij de operatie haalt een chirurg (een deel van) de schildklier weg. Na deze operatie maakt de schildklier soms te weinig hormonen. U krijgt dan pillen met schildklierhormoon. U kunt na de operatie last hebben van heesheid of stemverandering.
Waarom opereren?
Het kan om verschillende redenen nodig zijn dat u aan uw schildklier wordt geopereerd.
De schildklier werkt te hard. Als dat niet met medicijnen in de hand is te houden, kan een operatie noodzakelijk zijn.
Er zit een zwelling in de schildklier. Die zwelling kan de oorzaak zijn van het te hard werken, maar het kan ook een kwaadaardig gezwel zijn.
De schildklier kan vele zwellingen bevatten en zo groot zijn geworden dat u last heeft met ademhalen en slikken.
De zwellingen kunnen ook een cosmetisch probleem zijn.
Afhankelijk van de reden waarom u geopereerd moet worden, kan het nodig zijn de schildklier geheel of gedeeltelijk te verwijderen.
De operatie
We onderscheiden 3 soorten operaties.
De totale strumectomie: de schildklier wordt in zijn geheel verwijderd, bijvoorbeeld bij sommige vormen van schildklierkanker.
De subtotale strumectomie: beide helften van de schildklier worden grotendeels verwijderd, bijvoorbeeld bij een te hard werkende of een te grote schildklier.
Bij deze operaties (nummer 1 en 2) wordt u 1 tot 3 nachten in het ziekenhuis opgenomen.
Hemistrumectomie of lobectomie: één helft van de schildklier wordt in zijn geheel verwijderd. Bijvoorbeeld bij een zwelling in die helft van de schildklier, waarbij het onduidelijk is of de zwelling goedaardig of kwaadaardig is.
Deze schildklieroperatie (nummer 3) wordt verricht onder algehele anesthesie (narcose) en duurt ongeveer 1,5 tot 2 uur. Dit kan in dagbehandeling.
Tijdens de operatie ligt u met het hoofd zover mogelijk achterover. Er wordt een horizontale snede laag in de hals gemaakt, waarna de schildklier over het algemeen gemakkelijk kan worden bereikt en geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd. Er wordt een speciale beademingsbuis gebruikt waar electroden opzitten. Deze waarschuwen de chirurg als hij of zij in de buurt komt van de stembandzenuw.
Mogelijke complicaties
Geen enkele operatie is zonder risico’s. Zo is ook bij een operatie aan de schildklier de normale kans op complicaties aanwezig, zoals bijvoorbeeld nabloeding, wondinfectie, trombose of longontsteking. Daarnaast zijn er nog enkele specifieke complicaties mogelijk. In de directe omgeving van de schildklier liggen de stembandzenuwen (de nervus laryngeus recurrens links en rechts). Deze zorgen ervoor dat de stembanden kunnen bewegen.
Omdat er een geringe kans is dat de zenuw tijdens de operatie wordt beschadigd, kan de arts het soms wenselijk vinden dat voor de operatie het functioneren van uw stembanden door de KNO-arts worden gecontroleerd.
Direct tegen de schildklier aan, aan de achterzijde, liggen een viertal bijschildkliertjes. Twee aan de linkerkant en twee aan de rechterkant. De bijschildklieren zijn van belang voor de kalkhuishouding. Hoe ingewikkelder de operatie des te meer kans op beschadiging van de weefsels die vlak bij de schildklier liggen. Bij de hemistrumectomie of lobectomie is de kans op specifieke complicaties heel gering (minder dan 0,1%). Bij de (sub)totale strumectomie wordt het risico iets groter.
Specifieke complicaties
Letsel van de stembandzenuw
Letsel van de stembandzenuw blijkt meestal van voorbijgaande aard te zijn. Wanneer een stemband daardoor onverhoopt slecht functioneert, kan met de hulp van een logopedist het praten verbeterd worden. Hard spreken of roepen is dan echter niet meer mogelijk. Ook als de stembandzenuw niet wordt beschadigd kunnen er stemveranderingen optreden. Dit kan het gevolg zijn van beschadigingen van de halsspieren of van andere zenuwtakjes.
Tekort aan bijschildklierhormoon
De oorzaak van een tekort aan bijschildklierhormoon komt doordat er bij de operatie bijschildkliertjes zijn beschadigd of verwijderd. Dit is meestal van voorbijgaande aard. U merkt dit door tintelingen in de vingertoppen en in het ergste geval aan spierkrampen. Met kalktabletten kan dit goed worden behandeld.
Tekort aan schildklierhormoon
Als er te veel schildklierweefsel is weggehaald, zal de schildklier te weinig hormoon produceren. Dit kan klachten veroorzaken als snelle vermoeidheid, traagheid en kouwelijkheid, terwijl ook harde ontlasting (constipatie), een droge huid, droog worden en uitval van het hoofdhaar, opzwellen van de oogleden en een dikke tong kunnen ontstaan. Deze symptomen kunnen gemakkelijk worden bestreden door het toedienen van tabletjes schildklierhormoon.
Teveel schildklierhormoon
Als er teveel schildklierweefsel is achtergebleven bij een patiënt die tevoren een te hard werkende schildklier had, dan blijft die situatie bestaan. Dit kan meestal goed met medicijnen worden gecorrigeerd.
Over het algemeen is de strumectomie een veilige operatie met weinig complicaties en een vlot herstel. Meestal hoeft u na de operatie geen medicijnen meer te gebruiken om de schildklierfunctie te regelen. Wel moet u bij uw huisarts of internist poliklinisch gecontroleerd worden of de schildklierfunctie goed blijft. Uiteraard is het afhankelijk van de reden waarom u geopereerd wordt. In het geval van een kwaadaardig gezwel kan het allemaal anders zijn en is er vaak nabehandeling nodig.
Voorbereiding voor de operatie
Spreekuur anesthesioloog
De operatie vindt onder volledige narcose plaats. Hierover kunt u meer lezen op de CWZ-pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’. Voor de operatie en de anesthesie zijn enige voorbereidingen noodzakelijk, dit wordt ook wel preoperatief onderzoek of preoperatieve voorbereiding genoemd. Daarom gaat u naar het spreekuur van de anesthesioloog.
De anesthesioloog schat in welke risico’s in uw geval aan de operatie en de anesthesie verbonden zijn en hoe deze kunnen worden beperkt. De anesthesioloog spreekt ook overige voorbereidingen met u af zoals medicijngebruik (bloedverdunners) en nuchter zijn voor de operatie.
Verpleegkundig spreekuur
U heeft meestal ook een gesprek met de intake-verpleegkundige van de afdeling chirurgie-heelkunde.
De verpleegkundige bespreekt met u:
De gang van zaken voor en tijdens de opname en de vermoedelijke opnameduur.
De vragen die u nog heeft over de behandeling, de voorbereiding en de nazorg.
Opname
Volgens de afspraken met de anesthesioloog op het anesthesiespreekuur bent u eventueel gestopt met (bloedverdunnende) geneesmiddelen. Zie voor informatie de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.
Als u op de opnamedag wordt geopereerd blijft u nuchter. Zie voor informatie pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.
U meldt zich op het afgesproken tijdstip op Meldpunt 2C.
Voor de operatie krijgt u de voorbereidende medicijnen voor de anesthesie (premedicatie). Het is belangrijk dat u voor de ingreep nog even plast, zodat de blaas leeg is. Wanneer u een kunstgebit en/of contactlenzen draagt moet u deze uitdoen. Ook mag u tijdens de operatie geen sieraden dragen. Tijdens de operatie draagt u een operatiehemd. De operatie-zijde wordt afgetekend met een stift.
Een verpleegkundige rijdt u met uw bed naar de voorbereidingsruimte van de operatieafdeling. Daar krijgt u een infuus. U gaat daarna naar de operatiekamer en schuift over op de operatietafel. Voordat de anesthesioloog u de narcosemiddelen via het infuus toedient, wordt eerst de bewakingsapparatuur aangesloten.
Na de operatie
Na de operatie ontwaakt u op de verkoever- of uitslaapkamer. Als u goed wakker bent, gaat u in principe terug naar de verpleegafdeling. Daar controleert de verpleegkundige regelmatig de bloeddruk, het hartritme en de urineproductie.
Na de operatie krijgt u volgens een vast protocol pijnstillers. Het kan zijn dat u toch pijn blijft houden. U kunt dit aangeven bij de verpleegkundige. Zie hiervoor ook het hoofdstuk Pijnmeting op de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’. De verpleegkundige zal u, in overleg met de zaalarts, betere pijnstillers geven.
De pijn na de operatie valt over het algemeen mee en is te vergelijken met een keelontsteking. De pijn verdwijnt in een paar dagen. De wond geneest snel en meestal met een ‘fraai’ litteken. Soms laat de arts na de operatie opnieuw uw stembandfunctie door de KNO-arts controleren. Tevens krijgt u afspraken voor de poliklinische controle bij de arts en de internist.
Bij ontslag krijgt u uitleg over de nazorg en een afspraak voor de poliklinische controle. Ook krijgt uw huisarts digitaal de ontslagbrief doorgestuurd.
Meestal wordt gebruik gemaakt van oplosbare hechtingen, die niet verwijderd hoeven te worden. Als hechtingen moeten worden verwijderd vertelt de verpleegkundige u wanneer (na ongeveer vijf dagen) u dit door de huisarts laat doen.
Adviezen voor thuis
Afhankelijk van de operatiemethode, de grootte van de ingreep en persoonlijke factoren zult u na ontslag uit het ziekenhuis nog enige tijd hinder kunnen ondervinden van het operatiegebied. Ook het hervatten van uw dagelijkse activiteiten zullen daarvan afhankelijk zijn.
Pijnbestrijding
Een goede pijnbestrijding is belangrijk voor het genezingsproces. Daarom is het raadzaam dat u de eerste 2 dagen de pijn met pijnstillers onderdrukt en dit langzaam afbouwt. Dit doet u als volgt.
De eerste 2 dagen 4 keer per dag - om de 6 uur - 2 tabletten paracetamol van 500 mg.
Dan 2 dagen 4 keer per dag - om de 6 uur - 1 tablet paracetamol van 500 mg.
Daarna stopt u en gebruikt u alleen zonodig bij pijn 2 tabletten paracetamol van 500 mg. (maximaal 4 keer per dag).
Wondverzorging
Na 24 uur mag u de pleister van de wond verwijderen en weer douchen. De wond is dan voldoende dicht.
Als de pleister vast zit aan de wond kunt u deze onder de douche losweken. Na het douchen dient u de wond droog te deppen. U mag de eerste week niet zwemmen of langdurig baden. Droog houden van de wond bevordert een goede wondgenezing. Dus u kunt beter geen afsluitende pleister op de wond gebruiken, deze maken de wond vochtig.
Wanneer contact opnemen?
Neemt u de eerste week na de operatie contact op met het ziekenhuis bij:
Hevige pijnklachten die niet verdwijnen als u pijnstillers gebruikt.
Tintelingen of krampen.
Infectie:
wond is gezwollen, rood en warm, gaat open en/of er komt wondvocht uit.
temperatuur hoger dan 38,5 graden kort na de operatie.
Tijdens kantooruren belt u de polikliniek chirurgie-heelkunde (024) 365 82 60. Buiten kantooruren belt u CWZ (024) 365 76 57 en vraagt naar de dienstdoende chirurg.
Werkhervatting
Meestal zult u na een week uw werk weer kunnen hervatten. Zware lichamelijke arbeid (tillen) bouwt u langzaam op.
Vraagt u zich af of uw aandoening of behandeling consequenties heeft voor het uitoefenen van uw werk? Overleg dan met uw specialist of bedrijfsarts. De bedrijfsarts begeleidt de terugkeer naar uw werk. Afspraken over uw werk zullen vaak soepeler verlopen als u de bedrijfsarts al vóór de ingreep informeert of zo spoedig mogelijk na de ingreep op de hoogte brengt. U kunt een gesprek voeren met uw bedrijfsarts op het arbeidsomstandigheden-spreekuur van de arbodienst van het bedrijf of de organisatie waar u werkt.
Tips bij de hervatting van diverse activiteiten?
Gouden regel is dat u geleidelijk aan weer van alles mag gaan doen en uitproberen, zolang dit geen aanhoudende toename van klachten geeft.
Wissel de eerste dagen rust en activiteit steeds af, waarbij u geleidelijk aan steeds actiever wordt en minder hoeft te rusten. In het algemeen kunt u een tot twee weken na de operatie alle activiteiten weer doen die u voor de operatie ook kon.
Wandelen
Lopen is goed om uw conditie weer wat te verbeteren en u mag dit doen naar kunnen.
Wissel de eerste dagen lopen en rusten goed af. En onthoud: (spier) pijn mag, mits dit na een nachtrust weer verminderd is.
Tillen
Beperk de eerste week zowel vaak als zwaar tillen. Bouw dit langzaam op. Na een week kunt u normale huishoudelijke activiteiten meestal weer gewoon doen.
Fietsen
Zodra u zich probleemloos kunt bewegen en vooral uw hoofd en hals goed kunt draaien, mag u het fietsen - mits u dat tevoren ook deed - weer gaan uitproberen. Begin rustig, begeef u niet meteen in het drukke verkeer.
Autorijden
Als u zich probleemloos kunt bewegen en vooral uw hoofd en hals goed kunt draaien, kunt u ook weer gaan autorijden.
Begin met kleine stukjes in een rustige omgeving. Vraag bij uw verzekeraar na of u de eerste tijd na de operatie verzekerd bent.
Meestal zult u na een week weer kunnen autorijden.
Sporten
Als u gewend was om te sporten kunt u dat meestal na een week weer langzaam oppakken. Wanneer de dagelijkse dingen en wandelen weer probleemloos gaan kunt u - als u dat gewend was - weer rustig beginnen met joggen. Start op een vlakke, zachte ondergrond en draag goede schokabsorberende sportschoenen. Voer de afstand en het tempo geleidelijk op naar kunnen, waarbij u goed let op de reacties van uw lijf. Zorg steeds dat u volledig hersteld bent voordat u wéér gaat joggen.
Als u gewend was om te zwemmen of te fitnessen en u hebt het gevoel dit weer te kunnen, probeer het dan rustig uit.
Begin met ontspannen bewegen en bouw dit uit naar het niveau van voor de operatie.
Seks
Vrijen hoeft geen probleem te zijn mits u hierbij de gouden regel in acht neemt. Dus dat u geleidelijk aan weer van alles mag gaan doen en uitproberen, zolang dit geen aanhoudende toename van klachten geeft.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of de verpleegkundige.
Bij dringende vragen of problemen vóór en na uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot poli chirurgie-heelkunde.
Verhindering
Bent u op de afgesproken dag van de behandeling onverhoopt verhinderd, laat dit dan zo snel mogelijk weten. U belt dan naar de afdeling opname- en patiëntenplanning, tijdens kantooruren bereikbaar op telefoonnummer (024) 365 71 30. Er kan dan nog een andere patiënt in uw plaats worden gepland en met u maken wij een nieuwe afspraak. Kunt u een afspraak op de polikliniek of voor een onderzoek niet nakomen, bel dan ook zo spoedig mogelijk de betreffende afdeling.
Contact
- Chirurgie
G493-FLaatst bijgewerkt op 11 januari 2026

