Opheffen van een vernauwing in de plasbuis
Behandeling
Urethrotomie volgens Sachse of Otis
Inleiding
Tijdens uw bezoek aan de polikliniek urologie heeft uw behandelend (assistent) uroloog of verpleegkundig specialist met u besproken dat er een vernauwing in uw plasbuis aanwezig is en heeft de (assistent) uroloog gesproken over de wenselijkheid of noodzaak van een operatie.
Op deze pagina kunt u thuis alles nog eens rustig doorlezen. We hebben geprobeerd voor u alle belangrijke informatie zo goed mogelijk op een rijtje te zetten.
Het is niet de bedoeling dat deze pagina de persoonlijke gesprekken met uw (assistent) uroloog of verpleegkundig specialist vervangt. Met problemen of vragen, ook naar aanleiding van deze pagina, kunt u altijd bij uw (assistent) uroloog of verpleegkundig specialist terecht, of een afspraak maken bij een van de verpleegkundigen.
A.B laas
B. Plasbuis
C. Zaadbal of testikel
D. Balzak of scrotum
E. Bijbal
F. Endeldarm
G. Prostaat
De plasbuis
Een vernauwing van de plasbuis (urethrastrictuur) kan verschillende oorzaken hebben, namelijk:
Anatomische aanleg (bijvoorbeeld kleppen in de plasbuis);
Plaatselijke beschadiging door ongeval (bijvoorbeeld een val op de fietsstang);
Een ontsteking van de plasbuis;
Na het inbrengen van een katheter (slangetje via de plasbuis naar de blaas om urine af te laten lopen);
Na een eerdere urologische ingreep via de plasbuis.
Door bovengenoemde oorzaken kan er littekenweefsel in de plasbuis zijn ontstaan, waardoor deze is vernauwd.
Hoe stel je een vernauwde plasbuis vast?
De kracht van de urinestraal bij het plassen is minder geworden en er moet geperst worden om de blaas goed leeg te plassen. Doordat de blaas soms niet goed leeg kan worden geplast, wordt de kans op een blaasontsteking groter. De vernauwing kan ook worden ontdekt bij het inbrengen van een katheter. Op de plek van de vernauwing kan de katheter niet verder worden opgevoerd en kan deze niet in de blaas worden gebracht. Vaak wordt er dan een blaasonderzoek (urethrocystoscopie) afgesproken, om te beoordelen op welk niveau de vernauwing in de plasbuis zich bevindt.
Behandeling
Om de vernauwing in de plasbuis op te heffen, wordt het littekenweefsel in de plasbuis ingesneden. Deze operatieve ingreep heet een operatie volgens ‘Sachse’ of ‘Otis’. Uw (assistent) uroloog of verpleegkundig specialist bespreekt met u welke techniek wordt toegepast om de vernauwing in uw plasbuis op te heffen.
Sachse
Via de plasbuis wordt een kijkinstrument ingebracht. Dit is een hol buisje waardoor instrumenten kunnen worden ingebracht. Het kijkinstrument wordt ingebracht tot aan de vernauwing. Met een verschuifbaar mesje wordt de vernauwing gekliefd (urethrotoom).
De plasbuis
Een vernauwing van de plasbuis (urethrastrictuur) kan verschillende oorzaken hebben, namelijk:
Anatomische aanleg (bijvoorbeeld kleppen in de plasbuis);
Plaatselijke beschadiging door ongeval (bijvoorbeeld een val op de fietsstang);
Een ontsteking van de plasbuis;
Na het inbrengen van een katheter (slangetje via de plasbuis naar de blaas om urine af te laten lopen);
Na een eerdere urologische ingreep via de plasbuis.
Door bovengenoemde oorzaken kan er littekenweefsel in de plasbuis zijn ontstaan, waardoor deze is vernauwd.
Hoe stel je een vernauwde plasbuis vast?
De kracht van de urinestraal bij het plassen is minder geworden en er moet geperst worden om de blaas goed leeg te plassen. Doordat de blaas soms niet goed leeg kan worden geplast, wordt de kans op een blaasontsteking groter. De vernauwing kan ook worden ontdekt bij het inbrengen van een katheter. Op de plek van de vernauwing kan de katheter niet verder worden opgevoerd en kan deze niet in de blaas worden gebracht. Vaak wordt er dan een blaasonderzoek (urethrocystoscopie) afgesproken, om te beoordelen op welk niveau de vernauwing in de plasbuis zich bevindt.
Behandeling
Om de vernauwing in de plasbuis op te heffen, wordt het littekenweefsel in de plasbuis ingesneden. Deze operatieve ingreep heet een operatie volgens ‘Sachse’ of ‘Otis’. Uw (assistent) uroloog of verpleegkundig specialist bespreekt met u welke techniek wordt toegepast om de vernauwing in uw plasbuis op te heffen.
Sachse
Via de plasbuis wordt een kijkinstrument ingebracht. Dit is een hol buisje waardoor instrumenten kunnen worden ingebracht. Het kijkinstrument wordt ingebracht tot aan de vernauwing. Met een verschuifbaar mesje wordt de vernauwing gekliefd (urethrotoom).
%2520%257B%2520%255Bnative%2520code%255D%2520%257D&w=1080&q=100)
Otis
Bij een Otis wordt de plasbuis opgespannen voor zover de vernauwing dat toelaat. Er wordt een ondiepe klieving gedaan van enkele millimeters diepte. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een klein mesje dat parallel aan het instrument beweegt.
Voorbereiding operatie
De operatie vindt onder volledige narcose (algehele anesthesie) en/ of een ruggenprik (regionale anesthesie) plaats. Hierover kunt u meer lezen op de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’. Voor de operatie en de anesthesie zijn meestal enige voorbereidingen noodzakelijk, dit wordt ook wel preoperatieve voorbereiding genoemd. Daarom bezoekt u het spreekuur van de anesthesioloog. De afspraak bij de anesthesioloog wordt gekoppeld aan een afspraak bij de verpleegkundige voor uitleg van de gang van zaken rondom de behandeling. De verpleegkundige is een gespecialiseerd verpleegkundige die bepaalde taken van de (assistent) uroloog overneemt. De verpleegkundige geeft u aanvullende informatie over de opname en operatie, doet het ‘opnamegesprek’ en plant, in overleg met u, de operatiedatum en de controle-afspraak na de operatie.
U wordt voor deze ingreep twee tot drie dagen opgenomen. Op de pagina ‘Opname in CWZ’ kunt u algemene informatie over de opname lezen.
Opname op de EOA
U wordt opgenomen op de EOA (Electieve Opname Afdeling).
Nuchtere opname
Als u op de dag van de operatie wordt opgenomen blijft u nuchter volgens de afspraken en bent u eventueel gestopt met (bloedverdunnende) geneesmiddelen. Zie informatie de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’. U meldt zich op het afgesproken tijdstip bij meldpunt 2C.
De operatiedag
Voor de operatie krijgt u de voorbereidende medicijnen voor de anesthesie (premedicatie).
Wanneer u een gebitsprothese en/of contactlenzen draagt, moet u deze uitdoen. Ook mag u tijdens de operatie geen sieraden en/of piercings dragen.
Tijdens de operatie draagt u een operatiehemd.
Een verpleegkundige rijdt u met uw bed naar de voorbereidingsruimte van de operatieafdeling. Daar krijgt u een infuus.
U gaat daarna naar de operatiekamer en schuift over op de operatietafel. Gedurende de operatie moeten uw benen in beensteunen liggen.
Voordat de anesthesioloog u de narcosemiddelen via het infuus toedient, wordt eerst de bewakingsapparatuur aangesloten.
Verkoeverkamer of uitslaapkamer
Na de operatie ontwaakt u op de verkoeverkamer of uitslaapkamer. Als u goed wakker bent (na narcose) en als het gevoel in de benen terug begint te komen (na een ruggenprik) gaat u in principe terug naar de verpleegafdeling.
Controle
Daar controleert de verpleegkundige regelmatig de bloeddruk, de polsslag en de urineproductie.
Pijn
Na de operatie krijgt u volgens een vast protocol pijnstillers. Het kan zijn dat u toch pijn blijft houden. U kunt dit aangeven bij de verpleegkundige. Zie hiervoor ook het kopje ‘Pijnmeting’ in de pagina Anesthesie. De verpleegkundige zal u, in overleg met de zaalarts, krachtiger pijnstillers geven.
Blaaskatheter
Direct na de operatie heeft u een katheter in de blaas. Dit is een slangetje via de plasbuis dat ervoor zorgt dat de urine uit de blaas kan lopen. U hoeft dan niet zelf te plassen, en zo kan het wondgebied tot rust komen. De urine kan in het begin nog wat rood van kleur zijn. De katheter kan de blaaswand irriteren en dat kan u het gevoel geven dat u moet plassen of pijn aan de top van de penis veroorzaken. Dit wordt ‘blaaskramp’ genoemd. Als u last van blaaskramp heeft, bespreek dit dan met de verpleegkundige. Zij kan u hiervoor medicijnen geven.
Infuus
U heeft een infuus in uw hand of arm. U mag kort na de operatie weer beginnen met eten en drinken. Als het eten en drinken goed gaat, mag het infuus dezelfde avond stoppen.
De eerste dag na de operatie
De eerste dag na de operatie wordt de katheter verwijderd als de urine helder is. U gaat weer zelf plassen. De verpleegkundige zal meten hoeveel urine er in de blaas achter blijft als u zelf plast (residumeting). In het begin kan het plassen een branderig gevoel geven. Door goed te drinken (ongeveer 2 liter) spoelt u de blaas en verdwijnen deze klachten meestal snel. Ook kan er in het begin bloed bij de urine zitten. Als het plassen goed gaat, mag u de eerste dag na de ingreep naar huis.
Wat u thuis kunt verwachten?
Er gelden geen specifieke leefregels na deze operatie. U kan zelf het beste bepalen hoe u zich voelt en daar uw activiteiten op afstemmen.
Werkhervatting
Vraagt u zich af of uw aandoening of behandeling consequenties heeft voor het uitoefenen van uw werk? Overleg dan met uw specialist. Zo wordt duidelijk of u (tijdelijk) beperkingen heeft en zo ja, welke. De bedrijfsarts begeleidt de terugkeer naar uw werk. Daarom is het belangrijk dat uw bedrijfsarts op de hoogte is van uw aandoening of behandeling.
Afspraken over uw werk zullen vaak soepeler verlopen als u de bedrijfsarts al vóór de ingreep informeert. U kunt een gesprek voeren met uw bedrijfsarts op het arbeidsomstandigheden-spreekuur van de arbodienst van het bedrijf of de organisatie waar u werkt.
Om uw privacy te beschermen is uw toestemming nodig voor eventueel overleg tussen uw specialist en uw bedrijfsarts.
Complicaties
Bij elke ingreep, hoe klein ook, kunnen er problemen optreden. Deze complicaties kunnen bestaan uit een infectie of een nabloeding. U zal bij opname in het ziekenhuis starten met antibiotica om de kans op een infectie te verkleinen. Tijdens de opname op de afdeling wordt bekeken of het bloedverlies vanuit de plasbuis onder controle is.
Lange termijn gevolgen van de operatie
Na een Sachse of Otis operatie bestaat de kans dat de vernauwing in de plasbuis zal terugkeren. Het is niet te voorspellen binnen welke termijn dit zich zou kunnen voordoen.
Als gevolg van de operatie kan er namelijk littekenweefsel ontstaan in de plasbuis. Dit littekenweefsel kan voor een nieuwe vernauwing zorgen. Soms blijven de vernauwingen terugkeren. Uw (assistent) uroloog zal met u dan een andere behandelmethode bespreken. Om een nieuwe vernauwing te voorkomen, is het noodzakelijk om de doorgang van de plasbuis open te houden. Dit kan door middel van een katheter (slangetje) dat wordt opgevoerd tot voorbij de vernauwing. Dit wordt dilateren (verwijden) genoemd. Door dit zelf dagelijks een of meerdere keren te doen blijft de plasbuis doorgankelijk. De katheter hoeft niet tot in de blaas te worden ingebracht.
Als deze behandeling voor u noodzakelijk is, wordt er een afspraak gemaakt bij de incontinentieverpleegkundige. Zij zal u het dilateren aanleren en u hierin begeleiden. Uw (assistent) uroloog bespreekt voorafgaand aan de ingreep met u de kans op het ontstaan van deze klachten.
Wanneer contact opnemen?
Neemt u tot de eerste poliklinische controle na ontslag uit het ziekenhuis contact op als:
u aanhoudende (buik)pijn hebt die niet verdwijnt met gebruik van de voorgeschreven pijnstillers of met 4 keer per dag - om de 6 uur - 2 tabletten paracetamol van 500 mg.
u hevig bloedverlies hebt uit de plasbuis of grote bloedstolsels uitplast.
u koorts hebt boven de 38,5 graden of langer dan 24 uur vanaf 38 graden.
Tijdens kantooruren belt u de polikliniek urologie (024) 365 82 55. Buiten kantooruren belt u met de verpleegafdeling urologie (024) 365 78 00.
Controle
Er is voor u een controle afspraak gemaakt, bij de (assistent) uroloog of de verpleegkundige op de polikliniek urologie, 10 weken na uw operatie.
Vragen
Uw behandelend (assistent) uroloog bespreekt met u de verdere gang van zaken na de operatie. Als u nog vragen hebt over de operatie en de gevolgen ervan dan kan u deze samen met uw partner/ directe naaste bespreken met uw behandelend arts of uw verpleegkundige.
Kunt u niet komen?
Bent u op het afgesproken tijdstip voor poliklinisch onderzoek of opname verhinderd, bel dan zo snel mogelijk de polikliniek urologie. Er kan dan nog een andere patiënt in uw plaats komen.
G538-NLaatst bijgewerkt op 6 februari 2026

