Inleiding
U heeft in overleg met uw behandelend arts of verpleegkundig specialist besloten een angiografie en/of dotter of embolisatie behandeling af te spreken op de afdeling radiologie van CWZ. Op deze pagina leest u over het bloedvatonderzoek/de behandeling. Voor dit onderzoek wordt een dag opgenomen in CWZ. De opnamedatum, behandeldatum en de plaats waar u zich meldt in CWZ, krijgt u van uw behandelend arts, verpleegkundig specialist of op de polikliniek.
Er worden verschillende onderzoeken en behandelingen besproken, maar deze hoeven niet allemaal voor u van toepassing te zijn.
Wat houdt het onderzoek en/of de behandeling in?
Angiografie
Een angiografie wordt uitgevoerd door een interventie radioloog of een vaatchirurg op de afdeling radiologie. Bij een angiografie worden bloedvaten door middel van röntgendoorlichting in beeld gebracht. Hierbij wordt contrastvloeistof via een katheter (dun buigzaam slangetje) in de bloedbaan gespoten. Afhankelijk van wat met u is besproken wordt meteen één van de volgende behandelingen uitgevoerd:
Dotterbehandeling: een vernauwd of afgesloten bloedvat wordt weer wijder of doorgankelijk gemaakt. En er kan een stent (metalen veer) worden achtergelaten om het bloedvat open te houden.
Embolisatie: een bloedvat wordt afgesloten door het inspuiten van een stof.
Vena cava-filter plaatsen/verwijderen: in de grote holle ader wordt een tijdelijk filter geplaatst om bloedstolsels op te vangen.
We geven meer uitleg over de angiografie en de behandelingen onder het kopje ‘Het onderzoek/de behandeling’.
Gebruikt u medicijnen? (belangrijk)
U moet met bepaalde medicijnen stoppen voor het onderzoek/de behandeling.
Wilt u hier goed op letten? Het onderzoek/de behandeling kan niet doorgaan als u deze medicijnen toch heeft gebruikt. De behandelend arts of de verpleegkundig specialist spreekt dit met u door.
Bloedverdunners
Overleg met uw arts als u gebruik maakt van bloedverdunnende medicijnen zoals:
Acenocoumarol
Fenprocoumon
Rivaroxaban
Edoxaban
Apixaban
Dabigatran
Het is belangrijk om te bespreken hoe en op welke wijze u deze medicijnen, tijdelijk, moet stoppen.
Plaatjesremmers zoals acetylsalicylzuur, Ascal, carbasalaatcalcium en Clopidogrel kunt u gewoon blijven gebruiken.
NSAID’s (medicijnen tegen pijn en om ontstekingen te remmen)
Deze medicijnen mag u niet innemen op de dag vóór en op de dag van het onderzoek/de behandeling:
Advil®;
Diclofenac®;
Ibuprofen®;
Brufen®;
Voltaren®;
Naproxen®.
Deze medicijnen mag u wel innemen op de dag vóór en op de dag van het onderzoek/de behandeling:
Paracetamol;
Aspirine;
Morfine-achtigen (zoals Tramadol® of Oxynorm®).
Heeft u vragen over andere medicijnen die u gebruikt of over allergieën? Stel deze dan aan uw behandeld arts of verpleegkundig specialist. Neem de medicijnen, die u wel mag gebruiken, mee naar het ziekenhuis. U kunt deze waarschijnlijk zelf blijven innemen tijdens uw opname.
Bent allergisch voor contrastvloeistof?
Tijdens het onderzoek/de behandeling wordt jodiumhoudende contrastvloeistof gebruikt. Heeft u in het verleden overgevoelig gereageerd op contrastvloeistof? Meld dit bij uw behandelend arts of verpleegkundig specialist en bij uw bezoek aan de polikliniek anesthesie. Meld het ook bij de laboranten op de afdeling radiologie op de dag van het onderzoek/de behandeling. Er kunnen vooraf maatregelen worden genomen tegen het optreden van een allergische reactie.
Uw nierfunctie wordt gecontroleerd
Bij sommige patiënten bestaat er een kans op verslechtering van de nierfunctie door het gebruik van contrastvloeistof. Dit geldt vooral voor patiënten met nierfunctiestoornissen en voor mensen met suikerziekte. Daarom wordt, voordat u wordt opgenomen, altijd uw nierfunctie gecontroleerd door uw bloed te onderzoeken.
Afhankelijk van uw nierfunctie worden er voorzorgsmaatregelen genomen om de kans op nierschade voor u te verkleinen. Bij een verminderde nierfunctie krijgt u voorafgaand aan en na het onderzoek/ behandeling een infuus om de contrastvloeistof te verdunnen.
Als u een verminderde nierfunctie heeft en u metformine (bij diabetes) gebruikt, moet de metformine op de dag van het onderzoek/de behandeling gestopt worden.
Bent u zwanger?
Bent u zwanger? Of denkt u dat u zwanger bent? Neem dan van tevoren contact op met uw behandelend arts of verpleegkundig specialist. Röntgenstraling kan namelijk schadelijk zijn voor het ongeboren kind. In overleg wordt dan besloten of het onderzoek/de behandeling door kan gaan of wordt uitgesteld.
Voorbereiden voor het onderzoek/de behandeling
U krijgt een afspraak op de polikliniek anesthesie/sedatie voor het anesthesiespreekuur waar met u wordt overlegd welke vorm van verdoving voor u nodig is en/of het beste is.
Dag voor het onderzoek/de behandeling
Zorg dat u goed drinkt (ongeveer 1,5 tot 2 liter) op de dag voor het onderzoek/de behandeling.
Dag van het onderzoek/de behandeling
Op de verpleegafdeling krijgt u op de dag van of het onderzoek/de behandeling een infuus in uw arm of hand.
U mag tot 6 uur voor het onderzoek/de behandeling eten.
Tot 2 uur voor het onderzoek/de behandeling mag u helder vloeibaar drinken. Dit betekent alleen thee, water en koffie zonder melk.
Op de afdeling moet u zich uitkleden en krijgt u een OK-jasje aan.
Wij raden u aan om tijdens het onderzoek/de behandeling wel sokken aan te trekken. Het is koud in de onderzoekskamer van de afdeling radiologie. Wij zorgen ervoor dat u zoveel mogelijk toegedekt wordt met dekens.
Wat kunt u verwachten van het onderzoek/de behandeling?
Een CWZ-medewerker brengt u met bed naar de afdeling radiologie.
Daar neemt u plaats op de behandeltafel.
Specialistisch laboranten en een interventieradioloog of vaatchirurg voeren het onderzoek/de behandeling uit.
Er wordt in een bloedvat (ader of slagader) geprikt. Dit gebeurt meestal in de lies, maar andere aanprik-plekken, bijvoorbeeld in de arm, zijn ook mogelijk en soms zelfs noodzakelijk. (Het verwijderen van een vena cava-filter gebeurt altijd via de hals).
De huid wordt plaatselijk verdoofd. De prik van de verdoving kan even pijnlijk zijn.
Er wordt volledig steriel gewerkt. De aanprikplaats wordt ontsmet en u krijgt een steriel laken over uw borst, buik en benen. Ook de interventieradioloog, vaatchirurg en de laboranten dragen steriele kleding en handschoenen.
Na het aanprikken wordt een katheter (dun, buigzaam slangetje) in een bloedvat gebracht en opgeschoven naar het bloedvat dat in beeld gebracht moet worden.
De interventieradioloog of vaatchirurg spuit via de katheter ‘contrastvloeistof’ in. Deze vloeistof maakt het bloedvat zichtbaar op een beeldscherm en kan een warm gevoel geven in uw lichaam.
Afhankelijk van wat tevoren met u is besproken wordt mogelijk 1 van de volgende behandelingen uitgevoerd:
Dotterbehandeling
Als de juiste plaats van de vernauwing is gevonden, wordt een ballonnetje aan de katheter op die plaats opgeblazen. Dit heet dotteren. Het vernauwde bloedvat wordt daarmee wijder gemaakt. Het dotteren wordt soms een paar keer achter elkaar herhaald voor een beter resultaat. Daarna wordt gecontroleerd of het bloedvat voldoende wijd is.
%2520%257B%2520%255Bnative%2520code%255D%2520%257D&w=1080&q=100)
Plaatsen stent
Als dotteren onvoldoende resultaat heeft, kan de arts besluiten tijdens het onderzoek/de behandeling een stent in het bloedvat te plaatsen. Een stent is een klein buisje gemaakt van flexibel metaaldraad of kunststof.
%2520%257B%2520%255Bnative%2520code%255D%2520%257D&w=1080&q=100)
Een stent verstevigt het bloedvat en zorgt ervoor dat deze goed open blijft. Ook de stent wordt met behulp van een katheter geplaatst. Om de stent goed op zijn plaats te houden in het bloedvat wordt er meestal in de stent nog een keer gedotterd. Als het dotteren of het plaatsen van de stent klaar is, haalt de arts de katheter weer uit uw lies.
Na de behandeling gaat u naar afdeling dagbehandeling (C52) of de verkoever- of uitslaapkamer. Hier wordt u extra goed in de gaten gehouden.
Embolisatie
Bij een embolisatie gaat het om het afsluiten (emboliseren) van een vat. Er zijn verschillende materialen die hiervoor gebruikt kunnen worden. Afhankelijk van de situatie wordt er gekozen voor coils (metalen spiraaltjes), partikels (kleine plastic bolletjes) of lijm. Deze materialen worden via de katheter op de juiste plek ingespoten.
Vena cava-filter plaatsen (en verwijderen)
Een vena cava-filter wordt in de onderste holle ader (een bloedvat in de buik) geplaatst. Dit filter voorkomt dat bloedstolsels, die vaak in de lager gelegen lichaamsdelen ontstaan, de longen of de hersenen bereikt. Het filter wordt net onder de nieren geplaatst zodat ook deze organen beschermd zijn tegen stolsels. Na een paar weken wordt dit filter, via een bloedvat in de hals, weer verwijderd.
Einde van onderzoek en/of behandeling
Na het onderzoek/de behandeling wordt de katheter verwijderd.
De aanprikplaats wordt ongeveer 10 minuten dichtgedrukt tot dat het gaatje in het bloedvat dicht is.
Hierna wordt er een strak verband aangebracht om bloeden te voorkomen (drukverband).
In plaats van afdrukken en het aanleggen van een drukverband wordt vaak gekozen voor een ‘closure device’. Daarmee wordt het prikgaatje in het bloedvat inwendig gesloten door middel van een soort plugje. Dit plugje lost later vanzelf op in uw lichaam. Als bij u een ‘closure device’ wordt gebruikt, dan wordt u een pagina verwezen met informatie daarover. Of gekozen wordt voor afdrukken of voor het plaatsen van een ‘closure device’ is afhankelijk van uw situatie en wordt bepaald door de interventie-radioloog of vaatchirurg.
Na het onderzoek/de behandeling gaat u weer terug in uw bed en wordt u opgehaald en teruggebracht naar uw afdeling, C52 of de verkoeverkamer waar u een uur blijft voor controle na de verdoving/narcose.
Na het onderzoek/de behandeling
Na afloop van het onderzoek/de behandeling moet u enkele uren plat in bed blijven liggen om te voorkomen dat het bloedvat waarin geprikt is gaat nabloeden.
De bedrust duurt 2 uur bij een ‘closure device’ tot maximaal 12 uur als een drukverband is aangebracht. Het drukverband wordt na 4 uur verwijderd.
De verpleegkundige controleert regelmatig de prikplaats, uw bloeddruk en uw hartslag in been of arm.
Bent u in de lies geprikt? Dan is het belangrijk uw been de eerste uren zo min mogelijk te bewegen.
Na het onderzoek/de behandeling kunt u weer gewoon eten en drinken. Het is belangrijk dat u goed drinkt om zo snel mogelijk het contrastmiddel weer uit te plassen.
Het infuus houdt u tot het moment dat u weer naar huis gaat.
Naar huis
De verpleegkundig specialist of dienstdoende arts bepaalt wanneer u naar huis mag (met ontslag gaat). De arts bepaalt dit nadat:
het drukverband is verwijderd (als dit van toepassing is);
alle controles goed zijn;
uw bedrust voorbij is.
U krijgt een afspraak mee voor de poli.
Weer thuis
Uit de plaats waar u bent geprikt, kunnen een paar druppels bloed lekken. Dit is onschuldig en stopt vanzelf.
De pleister die op de plek zit waar geprikt is, mag na 2 dagen van het wondje afgehaald worden. Rond de aanprikplaats kan een flinke bloeduitstorting (blauwe plek en zwelling) ontstaan. Deze verdwijnt na enige tijd vanzelf.
Om te voorkomen dat het wondje gaat bloeden, moet u het een paar dagen rustig aandoen en mag u niet tillen en/of druk zetten op de buik. Gewoon lopen is juist goed voor u.
Na 24 uur mag u weer douchen en na 3 tot 4 dagen mag u ook weer in bad.
Na een behandeling van een bloedvat in uw been
Er kan de eerste tijd wat vocht in het behandelde (onder)been ontstaan. Het been wordt dikker in de loop van de dag. Lopen helpt om de bloedsomloop te bevorderen en het vocht te verminderen.
Leg het been hoog als u zit. Als u veel last heeft van het vocht in het been, neem dan contact op met de polikliniek van uw behandelend specialisme (of uw directe contactpersoon, bijvoorbeeld de verpleegkundig specialist).
Mogelijke complicaties/medische klachten
Neem direct contact bij:
Bloedingen/vocht lekkage/fors toenemende zwelling bij de aanprikplaats.
Gevoeligheid of zwelling op de aanprikplaats na 2 weken.
Meer roodheid, blauwe plek of gevoel van warmte op de aanprikplaats.
Gevoelloosheid in been/arm.
Pijn in been/arm.
Huiduitslag.
Niet helende wond op de aanprikplaats.
Kouder worden van de voet/hand of verkleuring van de voet/hand.
Koorts (boven de 38 graden Celsius) of rillingen.
Neem bij deze klachten/complicaties contact op met de behandelend specialist, de polikliniek waar u behandeld wordt of met uw contactpersoon (bijvoorbeeld de verpleegkundig specialist van de poli). Onder het kopje ‘Contact opnemen’ vindt u de belangrijke telefoonnummers.
Contact opnemen tijdens kantooruren (8.30 tot 17.00 uur)
Bent u onder behandeling bij vaatchirurgie?
Neem bij problemen contact op met de polikliniek chirurgie-heelkunde, telefoonnummer (024) 365 82 60
Vertel dat u een bloedvatonderzoek of behandeling op de afdeling radiologie heeft gehad.
Bent u onder behandeling bij een ander specialisme?
Neem bij problemen contact op met de polikliniek van uw behandelend specialisme (of met uw directe contactpersoon, bijvoorbeeld de verpleegkundig specialist van de betreffende polikliniek). Het telefoonnummer van uw polikliniek vindt u op uw afsprakenkaartje of op internet.
Vertel dat u een bloedvatonderzoek of behandeling op de afdeling radiologie heeft gehad.
Contact opnemen buiten kantooruren
Bij lichamelijke klachten die met het onderzoek/de behandeling te maken kunnen hebben (zie kopje ‘Mogelijke complicaties’), belt u de spoedeisende hulp (SEH), telefoonnummer 024 365 83 22. De eerste hulp arts overlegt met de dienstdoende arts van het behandelend specialisme.
Vertel dat u een bloedvatonderzoek of behandeling op de afdeling radiologie heeft gehad.
Heeft u vragen?
Aarzel niet om vragen te stellen aan de behandelend arts, de radioloog, chirurg, laborant of verpleegkundige als u iets niet begrijpt of als u meer wilt weten. Zij beantwoorden uw vragen graag.
Contact
- CWZCWZ Nijmegen
Canisius Wilhelmina Ziekenhuis
Weg door Jonkerbos 100
6532 SZ Nijmegen
www.cwz.nlhttp://www.cwz.nl(024) 365 76 57
- Radiologie
- Spoedeisende hulp (SEH)
G050

