Kloofje in de anus

Behandeling

Fissura ani

Inleiding

Uw behandelend arts heeft u voor klachten aan de anus naar de poli heelkunde van CWZ verwezen. Deze pagina geeft u informatie over wat de chirurg in CWZ met u bespreekt, zodat u zich kunt voorbereiden op het gesprek of na het gesprek alles nog eens rustig kunt nalezen. Ook zijn de gebruikelijke behandelingsmogelijkheden voor u op een rij gezet.

Wat is een fissura ani?

Fissura ani betekent kloofje of scheurtje in de anus. Het kloofje zit meestal aan de voor- of achterkant van de anus en verloopt in de lengterichting van de bilspleet. Het is onbekend waarom de kloofjes bij voorkeur op deze plekken ontstaan. Vooral jongeren en mensen van middelbare leeftijd hebben er last van, maar een fissura ani kan ook op andere leeftijden optreden.

Het kloofje in de anus geeft meestal een scherpe pijn tijdens of na de stoelgang, vaak met wat bloedverlies. Een kloofje in de anus ontstaat waarschijnlijk als gevolg van te harde ontlasting. De huid van de anus kan inscheuren als de druk tijdens de stoelgang te groot is. De binnenste kringspier van de anus raakt geïrriteerd en min of meer verkrampt. Dit verslechtert de bloedtoevoer. Een kloofje in de anus is vaak heel hardnekkig. Door de pijn en de verhoogde spanning houdt u onbewust de ontlasting op. De ontlasting wordt daardoor hard, en bij een volgende stoelgang scheurt het kloofje weer open.

Onderzoek

Om een kloofje in de anus vast te stellen zijn geen moeilijke onderzoeken nodig. Op grond van de klachten en een lichamelijk onderzoek, waarbij de arts de anus bekijkt, is de diagnose gewoonlijk gemakkelijk te stellen. De arts zal het onderzoek uitvoeren wanneer u op uw linker zijde ligt. Daarbij kijkt hij naar de omgeving van de anus en de anus zelf en voert ook nog met de vinger een inwendig onderzoek van de anus en het aansluitende deel van de endeldarm uit.

Behandeling

Voor een kloofje in de anus is meestal geen medische behandeling nodig. De behandeling is meestal vrij eenvoudig. Ten eerste is het belangrijk dat de ontlasting zacht blijft. Daarom moet u gezond eten en minstens twee liter water per dag drinken. Meer informatie vindt u op de pagina ‘Vezelrijk dieet’. Probeer regelmatig naar de wc te gaan om verstopping te voorkomen. De verhoogde spanning in de anus kan verminderen als u regelmatig een warm bad neemt. Bij ernstige en hardnekkige klachten kan de arts medicijnen voorschrijven, bijvoorbeeld poeders van plantaardige vezels of een drankje om de ontlasting zacht te houden.

Met een zalf zal geprobeerd worden de fissuur te laten genezen. Door deze zalf 2keer per dag naar binnen te smeren zal er meer bloed naar het kloofje gaan, waardoor dit beter kan genezen. Het is belangrijk om dit iedere dag aan te brengen en pas te stoppen als u 2 weken klachtenvrij bent. Als u na 10 weken nog niet klachtenvrij bent, dan neemt u contact met ons op. We plannen dan een injectie met botox om de verhoogde spanning op de kringspier te doorbreken. De zalf zal dan ook nog gebruikt worden.

Een operatie is zelden nodig. Er is een operatietechniek waarbij de verhoogde spanning in de sluitspier wordt doorbroken.

LIS: LIS staat voor laterale interne sfincterotomie. Bij deze ingreep maakt de chirurg een klein sneetje naast de anus. Via dit sneetje wordt een deel van de sluitspier aan de zijkant ingeknipt.

De opname duurt enkele uren tot maximaal één dag (dagbehandeling)

Op de pagina ‘Afdeling C52’ kunt u meer over de opname lezen.

Complicaties

Iedere ingreep brengt risico’s met zich mee. Ook bij een chirurgische behandeling van een kloofje in de anus gelden de ‘normale’ risico’s, zoals trombose (bloedstolsel), een nabloeding of een infectie van de wond. Daarnaast kunnen enkele specifieke complicaties optreden. De anus is een bloedvatrijk gebied, wat de kans op bloedverlies na de ingreep wat groter maakt. Om de kans op een infectie zo klein mogelijk te houden, wordt na een LIS het operatiewondje meestal open gelaten.

Vlak na de operatie kunt u problemen hebben met het ophouden van winden, vocht (slijm, diarree) en ontlasting (zie incontinentie). Vooral winden en vocht moet u in het begin wat bewuster ophouden dan voor de operatie: u moet de kringspier bewust aanspannen. Over het algemeen is dit tijdelijk, maar een klein aantal mensen (5%) heeft hier blijvend last van. Vooral het verlies van vocht (anaal slijm met of zonder ontlastingsvezels, soiling genoemd) is hinderlijk. Het is mogelijk dat er na verloop van tijd opnieuw een kloofje in de anus ontstaat. De kans hierop is echter niet groot.

Voorbereiding voor de operatie

Spreekuur anesthesioloog

De operatie vindt onder volledige narcose of regionale verdoving (ruggeprik) plaats. Hierover kunt u meer lezen op de CWZ-pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’. Voor de operatie en de anesthesie zijn enige voorbereidingen noodzakelijk, dit wordt ook wel preoperatief onderzoek of preoperatieve voorbereiding genoemd. Daarom gaat u naar het spreekuur van de anesthesioloog.

De anesthesioloog schat in welke risico’s in uw geval aan de operatie en de anesthesie verbonden zijn en hoe deze kunnen worden beperkt. De anesthesioloog spreekt ook overige voorbereidingen met u af zoals medicijngebruik (bloedverdunners) en nuchter zijn voor de operatie. Zonodig gaat u aansluitend ook naar het verpleegkundig spreekuur heelkunde.

Opname

Volgens de afspraken met de anesthesioloog op het anesthesiespreekuur bent u eventueel gestopt met (bloedverdunnende) geneesmiddelen. Zie voor informatie de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.

Als u op de opnamedag wordt geopereerd, blijft u nuchter. Zie voor informatie de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.

U meldt zich op het afgesproken tijdstip bij Meldpunt 2C.

Voor de operatie krijgt u de voorbereidende medicijnen voor de anesthesie (premedicatie). Het is belangrijk dat u voor de ingreep nog even plast, zodat de blaas leeg is. Wanneer u een kunstgebit en/ of contactlenzen draagt moet u deze uitdoen. Ook mag u tijdens de operatie geen sieraden dragen. Tijdens de operatie draagt u een operatiehemd. Een verpleegkundige rijdt u met uw bed naar de voorbereidingsruimte van de operatieafdeling. Daar krijgt u een infuus. U gaat daarna naar de operatiekamer en schuift over op de operatietafel. Voordat de anesthesioloog u de narcosemiddelen via het infuus toedient, wordt eerst de bewakingsapparatuur aangesloten en volgt nog een Time-Out procedure. Hierbijwordt nogmaals naar uw naam en geboortedatum gevraagd. Dit zal eerder en verder in het zorgproces steeds worden herhaald

Na de operatie

Na de operatie ontwaakt u op de verkoever- of uitslaapkamer. Als u goed wakker bent, gaat u terug naar de afdeling.

Daar controleert de verpleegkundige regelmatig de bloeddruk, het hartritme, de wond en de urineproductie. Na de operatie krijgt u volgens een vast protocol pijnstillers. Het kan zijn dat u toch pijn blijft houden. U kunt dit aangeven bij de verpleegkundige. Zie hiervoor ook het kopje ‘Pijnmeting’ op de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’. De verpleegkundige zal u, in overleg met de zaalarts, betere pijnstillers geven.

De operatie heeft soms tot gevolg dat u direct erna wat misselijk en dorstig bent. Tegen de misselijkheid kunt u medicijnen krijgen. Om er voor te zorgen dat u voldoende vocht krijgt hebt u een infuus in de arm. Zodra u weer zelf voldoende kunt drinken kan het infuus verwijderd worden.

Bewegen is niet alleen belangrijk om trombose te voorkomen, maar ook om verlies van spierkracht tegen te gaan. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat wanneer u rechtop zit, de ademhaling beter is en dat u beter kunt ophoesten. Luchtweginfecties komen daardoor minder voor en de zuurstofvoorziening naar de wond is beter, wat gunstig is voor de genezing.

Na de operatie wordt zo snel mogelijk gestart met de mobilisatie. Als u goed wakker bent, moet u proberen rechtop in bed en even op de rand van het bed of in een stoel te zitten. De eerste keer dat u uit bed gaat, krijgt u begeleiding van een verpleegkundige.

Bij ontslag krijgt u een recept voor medicijnen die de ontlasting zacht houden en een afspraak voor een telefonische poliklinische controle na vier/zes weken.

Adviezen voor thuis

Afhankelijk van de operatiemethode, de grootte van de ingreep en persoonlijke factoren zult u na ontslag uit het ziekenhuis nog enige tijd hinder kunnen ondervinden van het operatiegebied. Ook het hervatten van uw dagelijkse activiteiten zullen daarvan afhankelijk zijn.

Pijnbestrijding

Een goede pijnbestrijding is belangrijk voor het genezingsproces. Daarom is het raadzaam dat u zonodig de pijn met pijnstillers onderdrukt en dit langzaam afbouwt. Dit doet u als volgt. De eerste twee dagen gebruikt u vier maal daags.

  • om de zes uur - twee tabletten paracetamol van 500 mg. Dan gebruikt u twee dagen vier maal daags - om de zes uur

  • één tablet paracetamol van 500 mg. Daarna stopt u met de pijnmedicatie en gebruikt u alleen zonodig bij pijn twee tabletten paracetamol van 500 mg. (maximaal 4 maal daags).

Wondverzorging

  • U mag gewoon douchen of u kunt - ter verzachting van de wond - twee keer per dag tien minuten in een badedasbadje zitten. Daarna schoonspoelen onder de douche. De wond dient u hierna voorzichtig droog te deppen. U kunt een dun maandverbandje in uw ondergoed dragen om het bloedverlies op te vangen.

  • Na ontlasting de wond goed spoelen of deppen met een nat washandje.

  • Voor een goede wondgenezing is het belangrijk dat de ontlasting niet te hard is en u niet hard hoeft te persen. Eet daarom vezelrijk voedsel en drink veel; een tot anderhalve liter extra per dag. Gebruik de eerste periode de laxeermiddelen; hiervoor heeft u een recept gekregen.

Wanneer contact opnemen?
Neemt u de eerste week na de operatie contact op met het ziekenhuis bij:

  • Hevige pijnklachten die niet verdwijnen als u pijnstillers gebruikt.

  • Bloedverlies; aanhoudend en ernstig bloedverlies uit de anus, bijvoorbeeld meer dan drie maandverbanden per dag.

  • Infectie:

    • wond is gezwollen, rood en warm, gaat open en/of er komt wondvocht uit.

    • temperatuur hoger dan 38,5 graden kort na de operatie.

Tijdens kantooruren belt u: polikliniek heelkunde (024) 365 82 60.

Buiten kantooruren belt u: CWZ (024) 365 76 57 en vraagt u naar de dienstdoende chirurg.

Werkhervatting

Meestal kunt u enkele dagen na het ontslag weer - eventueel aangepast - met werken beginnen. Vraagt u zich af of uw aandoening of behandeling consequenties heeft voor het uitoefenen van uw werk? De bedrijfsarts begeleidt de terugkeer naar uw werk. Afspraken over uw werk zullen vaak soepeler verlopen als u de bedrijfsarts al vóór de ingreep informeert of zo spoedig mogelijk na de ingreep op de hoogte brengt. U kunt een gesprek voeren met uw bedrijfsarts op het arbeidsomstandigheden-spreekuur van de arbodienst van het bedrijf of de organisatie waar u werkt.

Tips bij de hervatting van diverse activiteiten?

Gouden regel is dat u geleidelijk aan weer van alles mag gaan doen en uitproberen, zolang dit geen aanhoudende toename van klachten geeft. Wissel de eerste dagen rust en activiteit steeds af, waarbij u geleidelijk aan steeds actiever wordt en minder hoeft te rusten. In het algemeen kunt u een week na de operatie alle activiteiten weer doen die u voor de operatie ook kon.

Wandelen

Lopen is goed om uw conditie weer wat te verbeteren en u mag dit doen naar kunnen. Wissel de eerste dagen lopen en rusten goed af.

Zitten

U kunt gewoon zitten. Het prettigste is dit op een stoel of bank met een zachte zitting. Gebruik geen (wind)ring of zwemband om op te zitten. Hierdoor neemt de pijn juist toe.

Fietsen

Zodra u zich probleemloos kunt bewegen, mag u het fietsen, mits u dat tevoren ook deed, weer gaan uitproberen.

Autorijden

Als u zich probleemloos kunt bewegen, kunt u ook weer gaan autorijden.

Sporten

Als u gewend was om te sporten kunt u dat - wanneer de dagelijkse dingen en wandelen weer probleemloos gaan - meestal na een week weer langzaam oppakken. Als u gewend was om te zwemmen of fitnessen en u hebt het gevoel dit weer te kunnen, probeer het dan rustig uit.

Seks

Vrijen hoeft geen probleem te zijn mits u hierbij de gouden regel in acht neemt. Dus dat u geleidelijk aan weer van alles mag gaan doen en uitproberen, zolang dit geen aanhoudende toename van klachten geeft.

Vragen?

Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of de verpleegkundige. Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot het verpleegkundig spreekuur.

Verhindering

Bent u op de dag van de behandeling onverhoopt verhinderd, laat dit dan zo snel mogelijk weten. U belt dan naar de afdeling opname- en patiëntenplanning, tijdens kantooruren bereikbaar op telefoonnummer (024) 365 71 30. Kunt u een afspraak op de polikliniek of voor een onderzoek niet nakomen, bel dan zo spoedig mogelijk de betreffende afdeling.

G493-LLaatst bijgewerkt op 12 januari 2026

Inhoudsopgave