Gedeeltelijk verwijderen van een nier met robotchirurgie

Behandeling

Vanwege een tumor in de nier

Inleiding

Tijdens uw bezoek aan de polikliniek urologie heeft uw behandeld uroloog met u gesproken over de noodzaak om bij u een gedeelte van de nier te verwijderen met behulp van een robot (robot geassisteerde partiële nefrectomie).

Op deze pagina kunt u alles nog eens rustig doorlezen. We hebben geprobeerd voor u alle belangrijke informatie zo goed mogelijk op een rijtje te zetten. Het is niet de bedoeling dat deze pagina de persoonlijke gesprekken met uw uroloog vervangt. Bij problemen of vragen, ook naar aanleiding van deze pagina, kunt u bij hem/haar terecht of een afspraak maken bij een van de verpleegkundigen.

Ligging en functie van de nieren

Normaal gesproken heeft de mens twee nieren. De nieren liggen achter in de buikholte (achter het buikvlies). Ze liggen in een beschermend vetkussentje, rechts en links van de wervelkolom. De nier is een boonvormig orgaan van ongeveer twaalf centimeter. De belangrijkste functie van de nieren is het zuiveren van bloed. Afvalstoffen en overtollig water wordt met de urine uitgescheiden. De urine komt via de urineleiders (ureteren) in de blaas terecht. Vervolgens plast u deze stoffen uit via de plasbuis (urethra).

G861 ligging en functie nieren met tekst.jpg

Waarom moet er een gedeelte van de nier verwijderd worden?

Wanneer er een gezwel (tumor) in de nier wordt gevonden, gaan we ervan uit dat het kwaadaardig is. Een operatie is dan nodig om de tumor te verwijderen. Afhankelijk van de grootte en de plek kan alleen de tumor worden verwijderd en de rest van de nier gespaard blijven. Dit heet partiële nefrectomie. Als de tumor groot is of centraal in de nier ligt, moet de hele nier verwijderd worden. Dit heet radicale nefrectomie.

Partiële nefrectomie

Waarom robotchirurgie?

In overleg met uw uroloog is gekozen voor een robot-geassisteerde operatie. Dit is een soort kijkoperatie. Bij de robot-geassisteerde operatie hoeft geen grote snee of wond in de buik gemaakt te worden. Het opereren zelf gebeurt via een televisiescherm. De chirurg zit in een kijkkast (console) en bedient de instrumenten via de robot die vlakbij de operatietafel staat.

Er wordt een camera met beeldvergroting gebruikt. Hierdoor kan de uroloog alle details van het operatiegebied goed zien en kan de operatie nauwkeurig worden uitgevoerd. Het gevolg is dat het bloedverlies vaak beperkt is. De operatie gaat via kleine gaatjes in plaats van één grote snee. Hierdoor heeft u minder narcose en pijnstillers nodig. Meestal gaat het herstel snel en blijft u meestal 2 dagen in het ziekenhuis. Ook thuis zal het herstel vlot zijn. Werkhervatting twee tot drie weken na een robot-geassisteerde operatie is geen uitzondering! Daarnaast is er een cosmetisch aspect: de wondjes en dus de littekens zijn heel klein.

Soms blijkt tijdens de operatie dat het niet lukt om de nier op deze manier te verwijderen. In dat geval gaat de arts over op de ‘open’ operatie. Dit heeft de arts vooraf met u besproken. De open operatie betekent dat de uroloog één grote snee maakt om de nier te bereiken.

Voorbereiding operatie

De operatie vindt plaats onder volledige narcose (algehele anesthesie). Hierover kunt u meer lezen op de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.

Voor de operatie en de anesthesie zijn meestal een aantal voorbereidingen nodig. Dit wordt ook wel preoperatieve voorbereiding genoemd. Hiervoor bezoekt u het spreekuur van de anesthesioloog. Daarna heeft u een afspraak voor een verpleegkundig intakegesprek.

De verpleegkundige geeft u aanvullende informatie over de opname en operatie. Zij doet het ‘opnamegesprek’ en plant in overleg met u de operatiedatum en de controle-afspraak na de operatie. U wordt voor deze ingreep drie tot vijf dagen opgenomen. Dat is mede afhankelijk van het directe herstel na de operatie. Op de pagina ‘Opname in CWZ’ kunt u algemene informatie lezen over de opname.

Gebruikt u bloedverdunnende medicijnen en/of bent u onder controle van de trombosedienst? Meld dit bij uw behandelend arts. Voor de ingreep worden eventueel bloedverdunnende medicijnen in overleg met uw arts van tevoren gestopt. Uw behandelend arts vertelt u hoe lang u van tevoren moet stoppen met het innemen van de medicijnen en wanneer u weer kan beginnen met de medicijnen. Als u bekend bent bij de trombosedienst, neem uw doseerkaart altijd mee naar het ziekenhuis.

Wat neemt u mee voor de operatie?

  • Actueel medicijnenoverzicht. Deze kunt u opvragen bij uw apotheek.

  • Een geldig legitimatiebewijs.

  • Nachtkleding, ondergoed, badjas, toiletartikelen, slippers of pantoffels.

Neem geen waardevolle bezittingen mee, zoals sieraden en waardevolle papieren. Het ziekenhuis draagt geen verantwoordelijkheid voor vermissing of diefstal van uw persoonlijke bezittingen.

Opname Electieve Opname Afdeling (EOA)

Als u op de dag van de operatie wordt opgenomen blijft u nuchter volgens de afspraken met de anesthesioloog en de verpleegkundige.

U bent ook eventueel gestopt met (bloedverdunnende) medicijnen. Zie voor informatie de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.

U meldt zich op het afgesproken tijdstip bij meldpunt 2C. U start met antibiotica om de kans op een infectie te verkleinen.

De operatiedag

Voor de operatie krijgt u de voorbereidende medicijnen voor de anesthesie (premedicatie).

Wanneer u een gebitsprothese en/of contactlenzen draagt moet u deze uitdoen. Ook mag u tijdens de operatie geen sieraden of piercings dragen. Tijdens de operatie draagt u een operatiejasje en heeft twee polsbandjes met uw naam en geboortedatum om. Een verpleegkundige rijdt u met uw bed naar de voorbereidingsruimte van de operatieafdeling. Daar krijgt u een infuus. U gaat daarna naar de operatiekamer.

Operatie

De ingreep vindt plaats in de operatiekamer. Daar schuift u over op de operatietafel. Voordat de anesthesioloog u de narcosemiddelen via het infuus toedient, wordt eerst de bewakingsapparatuur aangesloten. Voorafgaand aan de operatie wordt door het hele operatieteam het ’time out’ moment genomen. Dit is het moment waarop het hele operatieteam stil staat bij uw operatie. Onder andere uw naam, geboortedatum, welke operatie, welke vorm van verdoving en de operatiebenodigdheden worden gecontroleerd. Er worden u vragen gesteld die u misschien al eerder beantwoord heeft. Bijvoorbeeld: wie bent u, wat is uw geboortedatum, welke operatie krijgt u en aan welk lichaamsdeel u wordt geopereerd. Dit wordt gedaan om uw veiligheid te waarborgen.

De anesthesioloog geeft de verdovingsmiddelen via het infuus. De uroloog maakt eerst een sneetje (incisie) in uw buik. De operatie verloopt in een aantal stappen:

  • Via het eerste sneetje gaat een dunne holle buis de buik in.

  • Via de buis wordt de buik gevuld met onschadelijk koolzuurgas (CO2). Hierdoor ontstaat meer werkruimte, waardoor het operatiegebied goed te zien is.

  • De uroloog maakt 5 sneetjes in uw buik.

  • Daarna worden 5 buisjes in de onderbuik ingebracht, van 0.5 tot 1.0 cm dik.

  • Aan deze buisjes worden de robotarmen vastgemaakt.

  • Via deze buisjes worden de camera en de operatie-instrumenten ingebracht. Deze worden door de uroloog bediend.

  • De tumor wordt verwijderd en via een van de buisjes afgevoerd.

  • De verwijderde niertumor wordt opgestuurd voor weefselonderzoek.

  • Na de operatie wordt een blaaskatheter en meestal een wonddrain achtergelaten.

Kort na de operatie

Voordat u naar de afdeling gaat, verblijft u nog enige tijd op de uitslaapkamer (verkoeverkamer). Als u goed wakker bent gaat u terug naar de verpleegafdeling C40. Daar controleert de verpleegkundige regelmatig de bloeddruk, het hartritme en de urineproductie.

Pijn

Na de operatie krijgt u volgens een vast protocol pijnstillers. Het kan zijn dat u toch pijn blijft houden. U kunt dit aangeven bij de verpleegkundige. Zie hiervoor ook de ‘Pijnmeting’ in de pagina ‘Verdoving (anesthesie) bij volwassenen’.

Blaaskatheter

Direct na de operatie heeft u kortdurend een katheter in de blaas. Dit is een slangetje via de plasbuis dat ervoor zorgt dat de urine uit de blaas kan lopen. U hoeft dan niet zelf te plassen.

De katheter kan de blaaswand irriteren en dat kan u het gevoel geven dat u moet plassen en/of kan pijnklachten geven aan de top van de penis (eikel) of in de schaamlippen. Dit wordt ‘blaaskramp’ genoemd. Als u deze klacht ervaart, moet u dit met uw verpleegkundige bespreken. Zij kan u hiervoor medicijnen geven.

Blaaskramp

Blaaskramp kan ook ontstaan als de urine niet of niet goed kan weglopen via de katheter. De blaas raakt dan te vol. Dit kan ontstaan doordat er een bloedstolsel in de katheter zit waardoor deze verstopt raakt. Door de katheter en de blaas te spoelen wordt de katheter weer doorgankelijk. Dit doet de verpleegkundige.

Urine

Na de operatie kan de urine wat roodgekleurd zijn, door kleine hoeveelheden bloed in de urine. Dit is een normaal verschijnsel. U moet dan ook veel drinken, minstens 2 liter per dag. Het doel van het drinken is om de nier en de urinewegen goed te spoelen.

Soms kan het voorkomen dat de urine toch wat te rood is.

De katheter via de plasbuis wordt dan gespoeld door de verpleegkundige.

Infuus

U heeft een infuus in uw hand of arm. Omdat u tijdens en vaak ook na de operatie nog bloed verliest, is het belangrijk om dit vochtverlies aan te vullen door middel van het infuus. Kort na de operatie mag u weer beginnen met eten en drinken.

Drain

Meestal zit er een drain (dun slangetje) in het wondgebied. Dit is om het overtollig wondvocht af te voeren. De operateur bekijkt tijdens de operatie of dit noodzakelijk is.

De dag na de operatie

De eerste dag na de operatie helpt de verpleegkundige u bij uw lichamelijke verzorging.

  • Het infuus wordt verwijderd.

  • Het naaldje blijft nog zitten in afwachting van de bloeduitslagen.

  • U mag weer uit bed komen.

  • De katheter wordt in de loop van de dag verwijderd als u voldoende heeft bewogen.

  • Er wordt bloed afgenomen om de hoeveelheid rode bloedcellen (ijzergehalte) te controleren. Als dit onvoldoende blijkt, zal een bloedtransfusie worden gegeven. Meestal is dit niet nodig.

  • Als er weinig tot geen wondvocht meer afloopt wordt de drain verwijderd.

Na de operatie heeft u wondjes in de onderbuik. Deze wondjes bevatten hechtingen. Deze worden 10 dagen na de operatie verwijderd bij de huisarts of op de polikliniek.

Uitslag weefselonderzoek

Het verwijderde weefsel wordt na de operatie altijd door de patholoog nagekeken onder de microscoop. De uitslag is ongeveer twee weken na de ingreep bekend. U krijgt dit van de uroloog bij uw eerstvolgende controle op de polikliniek te horen.

Mogelijke risico’s en complicaties

Bij elke ingreep, hoe klein ook, kunnen er problemen optreden.

Deze kunnen bestaan uit:

  • Een minimale kans dat de robot-geassisteerde ingreep wordt beëindigd en dat er wordt verdergegaan met een open operatie

  • Een wondinfectie.

  • Een nabloeding

  • Urinelekkage uit de nier. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat de urine maximaal afgevoerd kan worden. Als het nodig is, wordt er een inwendig slangetje geplaatst. Dit slangetje heet een dubbel J-katheter. Deze ligt in het nierbekken en gaat via de urineleider naar de blaas.

  • Kort na de ingreep kunt u door prikkeling van het gebruikte koolzuurgas schouderpijn krijgen. Vaak is deze pijn na 24 uur verdwenen.

  • In een enkel geval kan de blaaskatheter een blaasontsteking veroorzaken.

  • Beschadiging andere organen. Heel af en toe ontstaan er tijdens de operatie beschadigingen aan andere organen (bijvoorbeeld de darm).

  • Longontsteking of trombose. Omdat het operatiegebied hoog in de romp zit, kan de ademhaling pijnlijk zijn. U kunt moeite hebben met doorademen. Dit verhoogt de kans op een longontsteking. Goed doorademen en snel beweeglijk maken, zijn belangrijk om deze complicaties te voorkomen.

Wat u thuis kunt verwachten?

  • Het droog houden van de wondjes bevordert een goede wondgenezing. U kunt dus beter geen afsluitende pleisters op de wondjes gebruiken. Deze maken de wondjes vochtig. Daarom is het ook niet raadzaam de eerste twee weken te baden, in de sauna te gaan of te zwemmen. U mag wel douchen.

  • De eerste dagen thuis moet u het nog rustig aan doen. Pijn en vermoeidheid zijn meestal signalen dat u te veel gedaan heeft.

  • In deze periode mag u wel autorijden (afhankelijk van de bepalingen van uw verzekering).

  • Niet zwaar tillen, zwaar lichamelijk werk, zwaar huishoudelijk werk verrichten of sporten. Na twee tot zes weken kunt u deze activiteiten weer langzaam opbouwen.

  • Gebruik pijnstillers zo lang als nodig is. Maximaal 4 keer 2 tabletten van 500 mg per 24 uur. U kunt de pijnstillers naar eigen inzicht afbouwen, afhankelijk van de pijn.

Werkhervatting

Vraagt u zich af of uw aandoening of behandeling consequenties heeft voor het uitoefenen van uw werk? Overleg dan met uw specialist. Zo wordt duidelijk of u (tijdelijk) beperkingen heeft en zo ja, welke.

De bedrijfsarts begeleidt de terugkeer naar uw werk. Daarom is het belangrijk dat uw bedrijfsarts op de hoogte is van uw aandoening of behandeling. Afspraken over uw werk zullen vaak soepeler verlopen als u de bedrijfsarts al vóór de ingreep informeert. U kunt een gesprek voeren met uw bedrijfsarts op het arbeidsomstandighedenspreekuur van de arbodienst van het bedrijf of de organisatie waar u werkt. Om uw privacy te beschermen is uw toestemming nodig voor eventueel overleg tussen uw specialist en uw bedrijfsarts.

Poliklinische controle

Na ongeveer 10 tot 14 dagen heeft u op de polikliniek een afspraak voor controle. De uroloog bespreekt dan met u de uitslag van het onderzochte weefsel. Afhankelijk van de uitslag zal er een aanvullende behandeling worden geadviseerd. Wij raden u aan uw partner of een andere naaste mee te nemen naar deze afspraak.

Oncologiebespreking

De specialisten van CWZ werken nauw samen met de specialisten van het Radboudumc in de oncologiebespreking. Tijdens deze bespreking worden alle patiënten met kanker besproken om tot een optimale behandeling te komen.

Contact opnemen

Neem tot de eerste poliklinische controle na ontslag uit het ziekenhuis contact op als:

  • u aanhoudende (buik)pijn heeft welke niet verdwijnt met gebruik van de voorgeschreven pijnstillers of met 4 keer per dag - om de 6 uur - 2 tabletten paracetamol van 500 mg;

  • u koorts heeft boven de 38,5 graden of langer dan 24 uur vanaf 38 graden. Tijdens kantooruren belt u de polikliniek urologie (024) 365 82 55. Buiten kantooruren belt u met de verpleegafdeling urologie (024) 365 78 00.

Heeft u vragen?

Uw behandelend uroloog bespreekt met u de verdere gang van zaken na de operatie. Het is vanzelfsprekend dat u vragen heeft over de behandeling en de gevolgen ervan. Bespreek dit gerust samen met uw partner/directe naaste met uw behandelend arts of uw verpleegkundige.

Kunt u niet komen?

Kunt u op het afgesproken tijdstip voor poliklinisch onderzoek of opname niet komen? Bel dan zo snel mogelijk de polikliniek urologie. Er kan dan nog een andere patiënt in uw plaats komen.

G861Laatst bijgewerkt op 11 februari 2026

Inhoudsopgave