Inleiding
U heeft besloten een oriënterend vruchtbaarheids (fertiliteits) onderzoek te laten verrichten. Op deze pagina vindt u informatie over het zwanger worden en de stoornissen die daarbij kunnen optreden. Daarna wordt beschreven hoe het vruchtbaarheidsonderzoek in CWZ wordt uitgevoerd. De informatie op deze pagina is algemeen van aard. Dat wil zeggen dat het onderzoek is beschreven zoals dit meestal zal verlopen. Het kan zijn dat de arts een andere procedure kiest die beter aansluit bij uw situatie.
U zult merken dat er bij onderzoek naar ongewilde kinderloosheid onderwerpen en situaties kunnen zijn waarbij privacy in het geding kan komen. De fertiliteitasisstentes en medewerkers van de polikliniek zijn zich hiervan bewust en zullen daar zoveel mogelijk rekening mee houden. Zij zijn altijd bereid u te helpen met vragen en problemen.
Goed om te weten
Het advies is om dagelijks een multivitamine-preparaat te slikken met minimaal 400 microgram foliumzuur en 10 microgram vitamine D. Dit is verkrijgbaar bij drogist of apotheek.
Glijmiddel en speeksel kan de kwaliteit van het sperma beïnvloeden, het is dus beter dit te vermijden.
Als u hier vragen over heeft, kunt u deze bespreken met een van de fertiliteitsassistentes.
Bevruchting
Om een zwangerschap tot stand te brengen, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Allereerst moet uit de eierstok van de vrouw een eitje vrijkomen. Dit heet eisprong of ovulatie. Meestal vindt de eisprong plaats rond de veertiende cyclusdag bij een cyclus van 28 dagen. Een cyclus duurt gemiddeld 28 dagen (variatie van 25-35 dagen). De bevruchting vindt plaats in de eileider. Daarna gaat het bevruchte eitje door de eileider naar de baarmoeder (uterus). Een nieuwe menstruatie zal optreden als er geen bevruchting en innesteling heeft plaats gevonden. De dag waarop de menstruatie goed doorzet noemen we de eerste cyclusdag.
Om tot een bevruchting te komen moeten bij de man voldoende zaadcellen worden gemaakt. Deze cellen worden aangemaakt in de zaadballen (testikels). Bij een zaadlozing komen de zaadcellen samen met zaadvocht naar buiten. Het zaad moet tijdens de geslachtsgemeenschap via de schede (vagina) bij de baarmoederhals terechtkomen. De zaadcellen bewegen zich voort door het slijm van de baarmoederhals. Via de baarmoederholte komen ze daarna in de eileiders.
De eigenlijke bevruchting vindt plaats wanneer het eitje en de zaadcel elkaar ontmoeten en samensmelten in een van de eileiders. De bevruchte eicel begint zich meteen te delen, zodat meer cellen ontstaan. Dit zogenoemde embryo gaat vanuit de eileider naar de baarmoeder, om zich daar enige dagen later in te nestelen.
Stoornissen bij de bevruchting
Bij het tot stand komen van een zwangerschap kunnen allerlei stoornissen optreden: bij de vrouw, bij de man, maar ook een combinatie van beiden.
Stoornissen bij de vrouw
Onregelmatige of uitblijvende menstruatie (ongesteldheid) doordat er weinig of geen ovulaties (eisprongen) optreden.
Afwijkingen aan de schede, baarmoederhals of baarmoederholte.
Verklevingen en afgesloten eileiders. Als er verklevingen in de buik, rondom de eierstokken en tussen de eileiders en eierstokken zijn, kan het eitje niet altijd door de eileider worden opgenomen. Ook in de eileider zelf kan een afsluiting zitten die het contact tussen zaadcel en eicel verhindert.
Stoornissen bij de man
Weinig, slecht bewegende of afwijkende zaadcellen.
Erectieproblemen of problemen met de zaadlozing kunnen de geslachtgemeenschap in de weg staan.
Stoornissen bij man en vrouw
In één op de drie gevallen betreft het combinaties van bovengenoemde stoornissen.
Het kan ook voorkomen dat bij het vruchtbaarheidsonderzoek geen stoornissen worden gevonden (onbegrepen onvruchtbaarheid). Verder is het mogelijk dat stoornissen in de seksuele functie de geslachtsgemeenschap in de weg staan.
Het oriënterend onderzoek
Uit het bovenstaande is af te leiden dat er op meerdere gebieden stoornissen kunnen optreden. Om mogelijke stoornissen op te sporen wordt een oriënterend vruchtbaarheidsonderzoek verricht.
U krijgt onderzoeken toegestuurd omtrent bloedonderzoek bij de vrouw en zaadonderzoek bij de man (Als dit niet al bij de huisarts is verricht).
De onderzoeken moeten bekend zijn voordat u de afspraak heeft met de gynaecoloog of gynaecoloog in opleiding. Zij bespreken met u de resultaten van het bloed- en spermaonderzoek en zullen samen met u een plan van aanpak maken. Hierbij wordt een beeld verkregen wat in uw situatie de mogelijke oorzaak van de ongewilde kinderloosheid is. Dan wordt ook duidelijk waar eventueel aanvullend onderzoek nodig is. Het is mogelijk dat in uw geval niet alle onderzoeken nodig zijn.
In grote lijnen bestaat het oriënterend onderzoek uit:
vragenlijst/anamnese man en vrouw
algemeen gynaecologisch onderzoek vrouw
bloedonderzoek vrouw
zaadonderzoek man
zonodig een een röntgenfoto van baarmoeder en eileiders
zonodig een kijkoperatie
Bloedonderzoek
In het bloed van de vrouw wordt gekeken naar verschillende hormonen als er sprake is van een onregelmatige cyclus.
U kunt voor het afnemen van bloed iedere werkdag op het laboratorium (B82) terecht tussen 8.00 en 16.45 uur of bij één van de prikposten (zie Dicoonhttps://dicoon.nl/bloedprikken/priklocaties-regio-cwz).
Zaadonderzoek
Bij het zaadonderzoek wordt gekeken naar de kwaliteit van het zaad. Hierbij zijn vooral het aantal zaadcellen en de bewegelijkheid van de zaadcellen van belang. Omdat de kwaliteit van het zaad sterk kan wisselen wordt er soms gevraagd meerdere keren zaad in te leveren. Het zaad dient door masturbatie verkregen te worden.
U krijgt hiervoor een potje en een formulier met instructies mee.
Vervolgonderzoek
Echo-onderzoek
Er wordt met behulp van vaginale echoscopie gekeken naar de rijping van een eiblaasje (of follikel). Het is mogelijk dat u een aantal keren in een week terug moet komen. Dit onderzoek gebeurt veelal door de fertiliteitsassistente (doktersassistente of verpleegkundige) op werkdagen ’s morgens tussen 8.30 en 12.00 uur.
Baarmoederfoto
Een baarmoederfoto of hystero-salpingogram (HSG) is een onderzoek waarbij contrastvloeistof door de baarmoeder en de eileiders wordt gespoten. Door middel van röntgenfoto’s wordt vastgesteld of de vorm van de baarmoeder normaal is en/of de eileiders goed doorgankelijk zijn. Het onderzoek gebeurt op de röntgenafdeling en moet plaatsvinden na de menstruatie, maar voor dat de eisprong heeft plaatsgevonden. Het beste moment is in de periode vlak na de menstruatie. Meer kunt u lezen op de pagina ‘Röntgenonderzoek baarmoeder en eileiders’.
Kijkoperatie
Het kan zijn dat er een diagnostische laparoscopie (kijkoperatie) nodig is. Hierover is een aparte pagina beschikbaar. Dit is een kijkoperatie die meestal in dagbehandeling onder algehele narcose wordt uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is beoordelen of de baarmoeder, eileiders en eierstokken normaal zijn. Meestal wordt er dan ook een vloeistof via de schede door de baarmoeder en de eileiders gespoten om te zien of de eileiders goed doorgankelijk zijn.
Uitslag
De behandelend gynaecoloog zal de resultaten van de onderzoeken met u bespreken. In overleg met u wordt afgesproken hoe het verder gaat. Als er geen afwijkingen gevonden zijn, wordt soms het advies gegeven enige tijd af te wachten. Het kan ook zijn dat er verder onderzoek of een behandeling nodig is.
Verhindering
Bent u op de dag van een gepland onderzoek onverhoopt verhinderd, bel dan zo snel mogelijk de polikliniek gynaecologie om uw afspraak te verzetten. Telefoon: (024) 365 82 45.
Vragen
Op deze pagina is veel informatie gegeven over een moeilijk onderwerp. Wanneer u vragen heeft over deze informatie kunt u contact opnemen met de fertiliteitsassistentes via de mail of de medewerkers van de polikliniek. Het mail adres en telefoonnummer vindt u achteraan deze pagina. Uw vragen kunt u ook stellen bij de volgende afspraak.
Ondersteuning
De meeste mensen met een kinderwens staan er niet bij stil dat ze in het medische circuit terecht kunnen komen. Als het dan toch eenmaal zover is, kan dat spanningen en gevoelens van vertwijfeling met zich meebrengen. Hier zult u in eerste instantie met elkaar en met mensen in uw eigen omgeving over praten. Het kan ook zo zijn dat u, na verloop van tijd, wel eens een gesprek met een neutrale deskundige zou willen hebben.
Medisch maatschappelijk werk
Het medisch maatschappelijk werk in het CWZ houdt zich onder andere bezig met psychosociale problemen die samenhangen met vruchtbaarheidsstoornissen.
De meest gestelde vragen zijn:
hoe vertel ik op mijn werk waar ik mee bezig ben?
wat voor invloed heeft dit proces op onze relatie?
hoe ga ik/mijn partner om met gevoelens van onzekerheid, angst en onmacht?
Als u zich in deze vragen herkent en er zelf niet uitkomt, dan kunt u dit aangeven bij uw behandelend arts of fertiliteitsassistente. Zij vragen aan medisch maatschappelijk werk (A12)
om contact met u op te nemen voor het maken van een afspraak.
Internetsites:
G361-I

